MoboReader> Literature > Robur de Veroveraar

   Chapter 14 No.14

Robur de Veroveraar By Jules Verne Characters: 33586

Updated: 2017-11-30 00:04


Waarin de Albatros verricht, wat wellicht wel nimmer uitvoerbaar zal zijn.

Den volgenden dag was het de 24ste Juli. Nu komt de 24ste Juli van het zuidelijk halfrond met den 24sten Januari van het noordelijk halfrond overeen. De zes en vijftigste graad zuiderbreedte was door het luchtschip achter zich gelaten. De daarmede overeenkomstige breedtegraad in het noorden van Europa snijdt Schotland ongeveer ter hoogte van Edinburg.

De thermometer stond dan ook voortdurend gemiddeld beneden nul. Men was derhalve verplicht geweest eene kunstmatige warmte aan de daarvoor bestemde toestellen te ontleenen, om het verblijf binnen de roeven mogelijk te maken. Wel zal niet behoeven vermeld te worden, dat al lengden de dagen ook, sedert de zon op den 21sten Juni den winterzonnestilstand voor het zuidelijk halfrond verlaten had, de invloed dier verlenging al minder en minder ondervonden werd, naarmate de Albatros meer en meer naar de zuidelijke poolstreken stevende.

Bijgevolg kon men betrekkelijk zeer weinig genieten van het daglicht op dit gedeelte van de Groote Stille Zuidzee, die aan den zuidelijken poolcirkel grenst. Dus weinig uitzicht en daarbij, vooral des nachts, eene zeer vinnige koude. Om daaraan weerstand te kunnen bieden, was men verplicht zich te kleeden, zooals de Eskimo's of de Vuurlanders dat doen. En daar die kleedingstukken aan boord van de Albatros niet ontbraken, konden de beide lotgenooten, behoorlijk ingewikkeld, op het dek vertoeven, aan hunne plannen tot ontvluchting denken en naar de gelegenheid uitzien om ze ten uitvoer te leggen. Overigens zagen zij Robur zelden, en sedert de bedreigingen, die ter hoogte van Tombouctoe tusschen hen voorgevallen waren, spraken de ingenieur en de beide Amerikanen elkander niet meer.

Wat Frycollin betreft, die kwam niet buiten de keuken, waarin Fran?ois Tapage hem op de edelmoedigste wijze gastvrijheid verleende, evenwel op voorwaarde: dat hij het baantje van bijkok zou waarnemen. Dewijl daaraan verscheidene voordeelen verbonden waren, had de neger geen oogenblik geaarzeld om toe te slaan, natuurlijk na verlof van zijn baas bekomen te hebben. Daarenboven nu hij zich zoo opgesloten bevond, zag hij niets meer van hetgeen daarbuiten gebeurde en kon hij dus in de meening verkeeren, buiten gevaar te zijn. Hij had veel van den struisvogel, zoowel door zijn uiterlijk als door zijn maag, maar vooral door zijne onge?venaarde flauwhartigheid.

Naar welk punt van den aardbol zou de Albatros thans stevenen? Was het aanneembaar, dat zij zich in het midden van den winter boven de Zuidelijke IJszee zou durven wagen of boven het vasteland van de pool? Zou in dien ijzigen dampkring, aangenomen ook al, dat de scheikundige vochten, voor de electrische batterijen benoodigd, bij zoo eene strenge temperatuur niet zouden bevriezen, het geheele personeel aan boord den dood niet vinden, den schrikkelijken dood door de koude? Dat Robur pogen zoude de pool in het warme seizoen te bereiken, dat was aan te nemen; maar te midden van dien voortdurenden nacht, dat zou het werk van een krankzinnige zijn.

Zoo redekavelden de voorzitter en de secretaris van Weldon-Institute, toen zij zich thans aan het uiteinde van het vasteland der Nieuwe Wereld vervoerd zagen. Dat was nog altijd Amerika, evenwel de Vereenigde Staten niet meer!

Ja, wat zou die onhandelbare Robur thans uitrichten?

En was het oogenblik niet daar om, door het vernietigen van het vaartuig, paal en perk aan de reis te stellen?

Wat opgemerkt werd, dat was, dat de ingenieur Robur dikwerf gesprekken met zijn eersten officier had. Herhaaldelijk raadpleegden die beiden den barometer,-thans niet meer om de bereikte hoogte waar te nemen, maar om zijne aanduidingen met betrekking tot het weder te kunnen waarnemen. Voorzeker deden zich aanwijzingen voor, waarmede rekening gehouden moest worden.

Uncle Prudent meende ook op te merken, dat Robur naging al wat nog aan boord voorradig was, zoowel de benoodigdheden tot onderhoud der opstuwende en voortdrijvende machines van het luchtschip, als die tot onderhoud der menschelijke werktuigen, welker arbeid aan boord ook verzekerd moest wezen.

Dat alles scheen te duiden op plannen om terug te keeren, meende de voorzitter.

"Om terug te keeren?...." vroeg Phil Evans. "Maar waarheen?"

"Daar, waar Robur zijn voorraad kan aanvullen," antwoordde Uncle Prudent.

"Dat moet dan zijn.... een eiland...."

"Nu, ga voort!.... Een eiland?"

"Een verloren eiland in de Groote Stille Zuidzee, bewoond door eene kolonie van schurken, die hun opperhoofd waardig zijn!"

"Dat is mijne meening ook, Phil Evans."

"Nog al gelukkig, Uncle Prudent."

In een ondeelbaar oogenblik werd de Albatros in de dwarlkolk opgenomen. (Blz. 163).

"Ik geloof," ging de voorzitter van Weldon-Institute voort, "dat hij westwaarts zal afhouden en met de snelheid, waarover hij beschikken kan, zal hij zijn doel spoedig bereiken."

"Maar, als hij daar aankomt, zullen wij onze plannen niet meer ten uitvoer kunnen leggen."

"Hij zal er niet aankomen, Phil Evans!"

De beide lotgenooten hadden klaarblijkelijk de voornemens van den ingenieur gedeeltelijk geraden. Gedurende dien dag werd iedere twijfel opgeheven; want de Albatros, na eerst de grenzen der Zuidelijke IJszee genaderd te zijn, keerde bepaald om. Toen de vorst zich dermate in die streken van Kaap Hoorn deed gevoelen, overdekte zich het geheele benedengedeelte van de Groote Stille Zuidzee met ijsvelden en met ijsbergen.

Het pakijs had dus een ondoordringbaren slagboom voor de stevigste schepen en voor de stoutmoedigste zeelieden daargesteld.

Het is waar, de Albatros zou met sneller wiekslag die ijsbergen, welke den oceaan bezaaiden, en de steenbergen welke op het land werden aangetroffen, namelijk wanneer daar bij de pool een kalotje van land op die zuiderpool aanwezig is, hebben kunnen overstevenen. Maar, zich te midden van den poolnacht, in een dampkring wagen, die tot zestig graden onder nul kan afkoelen, zou hij dit durven ondernemen? Ongetwijfeld neen!

Na dan ook een honderd kilometers in zuidelijke richting gestevend te zijn, hield de Albatros westwaarts af, klaarblijkelijk met het doel, om koers te zetten naar een of ander onbekend eiland van een der groepen in den Grooten Stillen Oceaan.

Onder het schip strekte de vloeibare vlakte zich uit, die zoowel het Amerikaansche als het Aziatische vasteland bespoelt. In dit oogenblik had het water die zonderlinge kleur aangenomen, welke daaraan den naam van melkzee verleende. In de nevelachtige schaduw, welke de zwakke zonnestralen niet vermochten te verdrijven, scheen de geheele oppervlakte van den Grooten Stillen Oceaan melkachtig wit te zijn. Men zou gewaand hebben een onmetelijk groot sneeuwveld voor zich te zien, waarvan de golvingen, van die hoogte gezien, niet merkbaar waren. Wanneer dat gedeelte der zee door de koude bevroren was en zoo in een onmetelijk ijsveld veranderd ware, dan zou zij geen ander uitzicht gehad hebben.

Men weet thans dat het myriaden van lichtende diertjes zijn, kleine phosphoresceerende lichaampjes, die dat natuurverschijnsel te voorschijn roepen. Wat verwondering kon opwekken, was dat die lichtende massa, welke nergens anders dan in den Indischen Oceaan ontmoet wordt, thans hier waargenomen werd.

Plotseling viel de barometer, na gedurende de eerste uren van den dag vrij hoog gestaan te hebben, opmerkelijk snel. Er deden zich klaarblijkelijk aanduidingen voor, waarmede een zeeschip voorzeker rekening had moeten houden, maar die door het luchtschip over het hoofd gezien of verwaarloosd konden worden. Men kon evenwel veronderstellen, dat een zwaar onweder kort geleden de wateren van den Grooten Stillen Oceaan beroerd had.

Het was één uur des namiddags, toen de eerste officier Tom Turner den ingenieur naderde en hem zeide:

"Master Robur..."

"Wat is er?"

"Zie eens naar dat zwarte punt bij den gezichteinder!"

"Waar, Tom?"

"Daar in het noorden... daar... nu ziet gij het duidelijk... Dat kan toch geen rots zijn?"

"Neen, Tom, aan dien kant is geen wal of geen ondiepte."

"Dan moet het een schip, of minstens eene sloep zijn."

"Wij zullen zien."

Uncle Prudent en Phil Evans waren ook naar het voorschip gekomen en keken opmerkzaam naar het door Tom Turner aangeduide punt.

Robur riep om zijn marinekijker en nam het aangeduide voorwerp nauwkeurig op.

"Het is eene sloep!" riep hij eensklaps uit.

"Is het mogelijk, hier?" vroeg Tom Turner.

"En ik zou kunnen bevestigen, dat er menschen in zitten," vervolgde Robur.

"Schipbreukelingen?" vroeg Tom.

"Ja, schipbreukelingen, die genoodzaakt zullen geweest zijn, om hun vaartuig te verlaten," hernam de ingenieur. "Rampzaligen, die niet meer weten, waar den wal ligt, die waarschijnlijk door honger, dorst en koude omkomen? Welnu, er zal niet kunnen gezegd worden, dat de Albatros niet alle pogingen zal aangewend hebben om hen te hulp te komen!"

Bevelen werden aan den machinist en aan zijne beide helpers gegeven. Het luchtschip begon langzamerhand te dalen. Op honderd meters boven de oppervlakte der zee gekomen, hield het halt; terwijl zijne voortstuwingsschroeven het met snelheid in noordelijke richting dreven.

Ja, het was inderdaad eene sloep. Haar zeil klepperde tegen den mast. Er was geen wind en derhalve kon niet gestuurd worden. En waarschijnlijk had niemand aan boord nog kracht genoeg om een roeiriem te kunnen hanteeren.

Op den bodem van het vaartuigje lagen vijf mannen uitgestrekt, hetzij zij ingeslapen, hetzij zij bewegingloos door vermoeidheid, hetzij zij dood waren.

Toen de Albatros vlak boven hen gekomen was, daalde zij langzaam.

Men kon toen op den achtersteven van die sloep den naam lezen van het schip, waartoe zij behoorde. Dat was de Jeannette van Nantes, een Fransch vaartuig, hetwelk door zijne equipage was verlaten geworden.

"Aoh!" riep Tom Turner.

"Aoh!" herhaalde de bemanning der Albatros met een eenstemmig gebrul.

Dat moest gehoord worden; want de sloep dobberde slechts op ongeveer tachtig voet onder het luchtschip.

Toch kwam er geen antwoord.

"Los een geweerschot!" gelastte Robur.

Dat bevel werd uitgevoerd en de knal rolde lang over de oppervlakte van het water.

Men zag toen een der schipbreukelingen zich pijnlijk oprichten, met wildstaande oogen en de gelaatstrekken van een doode.

Toen hij de Albatros daar boven zich ontdekte, kon hij een gebaar van schrik en angst niet onderdrukken.

"Vrees niets!" riep Robur in het Fransch. "Wij komen u helpen!... Wie zijt gij?"

"Matrozen van de Jeannette, een driemastschip, waarop ik eerste stuurman was," antwoordde de man. "Veertien dagen geleden... hebben wij dien bodem verlaten... toen hij op het punt was... in de diepte weg te zinken!... Wij hebben geen water en geen levensmiddelen meer!..."

De vier overige schipbreukelingen hadden zich ook langzamerhand opgericht. Zij zagen er bleek, haveloos en uitgeput uit. Zij waren verschrikkelijk mager en hieven de handen smeekend naar het luchtschip op.

"Opgepast!" riep Robur.

Een touw werd van het dek ontrold, waarmede een emmer met drinkwater in de sloep neergelaten werd. De ongelukkigen wierpen er zich op en dronken met eene gretigheid, die zeer deed om te zien.

"Brood!... Brood!..." schreeuwden zij. "Geef ons brood!"

Dadelijk werd een mand naar beneden gevierd, waarin levensmiddelen, eene flesch brandy, eenige pinten koffie. De eerste stuurman had veel moeite om hen bij het stillen van den honger tot bedaardheid aan te manen.

Daarna vroegen de schipbreukelingen:

"Waar bevinden wij ons?"

"Op vijftig mijlen afstand van de kust van Chili en van den archipel der Chorus-eilanden," antwoordde Robur.

"Maar, als wij windstilte houden, en?..."

"Wij zullen u op sleeptouw nemen!"

Vlogen eenden, ganzen en duikerhoenders in menigte aan boord. (Bladz. 170.)

"Maar, in Godsnaam, wie zijt gij toch?"

"Wij zijn lieden, die zich gelukkig gevoelen u te kunnen helpen," antwoordde Robur op eenvoudigen toon.

De eerste stuurman begreep, dat de gezagvoerder zijn naam niet wenschte mede te deelen. Hij eerbiedigde dat verlangen. Maar zou die vliegmachine kracht genoeg hebben om te kunnen sleepen?

Ja, waarlijk, en de sloep, die aan het einde van eene kabel van ruim honderd voeten lang was vastgemaakt, werd door het machtige toestel in oostelijke richting voortgetrokken.

Tegen tien uur was het land in het gezicht, of beter gezegd: men zag de vuren schitteren, die de ligging daarvan aanduidden. Die hulp des hemels was inderdaad ter goeder tijd voor de schipbreukelingen der Jeannette verschenen, en waarlijk, zij waren wel in hun recht, toen zij beweerden, dat hunne redding een wonder was!

Toen de Albatros hen tot vlak bij den ingang van het toegangswater der Chonas-eilanden gesleept had, riep Robur hen toe den sleeptros los te gooien. Dat deden de schipbreukelingen, terwijl zij hunne redders zegenden en dankzeiden. Het luchtschip stevende daarop dadelijk zeewaarts.

Waarachtig, in dat luchtvaartuig, hetwelk zoo schipbreukelingen in volle zee in nood te hulp kon komen, zat toch iets goeds! Welke luchtballon, hoe volmaakt overigens ook, zou geschikt geweest zijn, om zoodanige diensten te bewijzen? Ziet, dat moesten Uncle Prudent en Phil Evans toch erkennen, wanneer zij bij elkander zaten. Toch verkeerden zij nog altijd in een geestestoestand, die hen er toe brengen kon, om zelfs het klaarblijkelijkste te loochenen.

De zee werd intusschen al woester en woester. De kenteekenen van weersverandering waren onrustbarend. De barometer, die al laag stond, viel nog eenige millimeters. Schrikkelijke windstooten deden zich voor, terwijl de wind overigens hevig woei en in de helicopterische werktuigen van de Albatros als het ware huilde, maar ook oogenblikken had, dat er plotseling voor weinige seconden windstilte intrad. Onder zulke omstandigheden zou een zeilvaartuig onder gereefde marszeilen en gereefd fokzeil gestevend hebben. Alles duidde er op, dat de wind naar het noordwesten krimpen zou. Het vocht in de buis van het "stormglas" begon zeer troebel te worden. Dat alles was verre van geruststellend. Tegen een uur in den morgen begon de wind met buitengewone hevigheid te waaien. Evenwel, hoewel het luchtschip er vlak tegen in stevende, kon het, voortbewogen door zijne voortstuwingsschroeven, nog op hem winnen en legde nog vier of vijf kilometers per uur af. Maar meer mocht en kon er niet van gevergd worden.

Klaarblijkelijk vormde zich een cycloon, hetgeen op deze breedte zeer zeldzaam voorkomt. Of men hem al Hurricane op den Atlantischen Oceaan noemt, of Typhon in de Chineesche zee, of Tornado op Afrika's westkust of Simoun in de Sahara, het is en blijft een wervelwind, een ronddwarrelende storm, die zeer te vreezen is. Ja, te vreezen voor ieder vaartuig, dat in de wentelende beweging geraakt, welke van den buitenomtrek naar het centrum in kracht toeneemt, en slechts een enkele plek kalm laat, namelijk het midden van dien lucht-maalstroom.

Robur wist dat. Hij wist ook, dat het voorzichtig was een cycloon te ontvluchten, door zich, al stijgende tot in de hoogere luchtlagen, buiten de aantrekkingszone te begeven. Tot heden was hem dat altijd gelukt, maar er was geen uur, wellicht geen minuut meer te verliezen.

Inderdaad de wind nam merkbaar in hevigheid toe. De golven, met schuim gekuifd, veroorzaakten onder de onweerstaanbare windvlagen als een wit poeder op de oppervlakte der zee. Het was klaarblijkelijk, dat de cycloon bij zijne verplaatsing, zich met eene vervaarlijke snelheid naar de poolstreken zoude spoeden.

"Naar boven!" kommandeerde Robur.

"Naar boven!" herhaalde Tom Turner.

Toen werd eene buitengewone opstijgende kracht aan het luchtschip verleend en verhief zich het gevaarte in schuine richting, alsof het een scherp hellend vlak gevolgd had, hetwelk naar het zuidwesten gekeerd was.

De barometer daalde in dit oogenblik nog,-geen daling, maar inderdaad een val van acht, daarna van twaalf millimeter, door de kwikkolom uitgevoerd.

Eensklaps staakte de Albatros hare stijgende beweging.

Waaraan was die staking toe te schrijven? Klaarblijkelijk aan een windstoot, aan een geduchten luchtstroom, die zich van boven naar beneden bewoog en zoo den weerstand van het steunpunt van het luchtschip verminderde.

Wanneer een stoomschip eene rivier opstevent, dan verricht de schroef een des te minder nuttigen arbeid, naarmate de stroom door zijne snelheid onder de schroefbladen door tracht te vlieten. Het deinzen of de teruggang is dan soms aanmerkelijk en kan zelfs gelijk aan de stroomsnelheid worden. In datzelfde geval verkeerde thans de Albatros.

Maar Robur gaf den strijd niet op. Zijne vier en zeventig schroeven, die allen met eene volkomen gelijkmatighe

id arbeidden, werden tot de grootst mogelijke snelheid van omwenteling aangezet. Maar het luchtschip, door den cycloon onweerstaanbaar aangetrokken, kon niet ontsnappen. Gedurende de korte oogenblikken, dat er eenige kalmte intrad, hernam het zijne opstijgende beweging; maar de zware winddruk hernam weldra weder zijne heerschappij en voerde het gevaarte heen, dat wel iets van een bodem had, die op het punt is van te zinken. En wel mocht het zinken genoemd worden, want de Albatros zonk inderdaad in de luchtzee, en hare seinlichten, hoe krachtig ook de electrische stroom aangezet werd, konden slechts een zeer bescheiden sector verlichten.

Het was helder als de dag, dat, wanneer de cycloon nog meer in hevigheid toenam, de Albatros niet veel meer zou zijn dan een niet te besturen stroohalm, heengevoerd door een van die wervelwinden, die boomen ontwortelen, die daken der huizen afrukken en muurvakken omversmijten.

Robur en Tom Turner spraken slechts door middel van gebaren met elkander.

Uncle Prudent en Phil Evans klemden zich krampachtig aan de verschansing vast en vroegen zich af: of de cycloon niet in hunne kaart speelde, door het schip en met het schip den uitvinder en met den uitvinder het geheim zijner uitvinding te vernietigen?

Maar, dewijl het scheen, dat de Albatros er niet in slaagde, om door opstijging uit den wervelstroom te geraken, waarom volbracht zij niet de eenige beweging, die te doen overbleef, namelijk naar het centrum te stevenen, waar het betrekkelijk kalm zoude zijn en waar het schip weer meester van zijn manoeuvreeren zoude wezen? Ja, dat is goed en wel geredeneerd; maar om dat centrum te bereiken, moesten die rondijlende stroomingen, die het vaartuig in zijn buitenwervel geketend hielden, doorbroken worden. Zouden de werktuigen daartoe genoegzame kracht kunnen ontwikkelen?

Eensklaps barstte het bovenste gedeelte der cycloonwolk. De dampen verdichtten zich en stortten als plasregen neder.

Het was toen twee uur in den morgen, de barometer was toen na vele slingeringen, die afwijkingen van twaalf milimeter aanduidden, tot op 709 gevallen, een stand waarvan afgetrokken moest worden of beter bijgevoegd, de daling veroorzaakt door de bereikte hoogte van het luchtschip boven de oppervlakte der zee.

Wat een zeer zeldzaam natuurverschijnsel genoemd kon worden, was, dat de cycloon ontstaan was buiten de gewesten, waar hij gewoonlijk voorkomt, dat wil zeggen tusschen den dertigsten graad noorder- en den zes en twintigsten zuiderbreedte. Misschien ligt daarin de verklaring, dat die wervel-orkaan plotseling in een rechtlijnigen storm veranderde. Maar welke winddruk ontstond toen! De stormvlaag, die op den 22sten Maart 1882 den Staat Connecticut teisterde, kon eenigermate als punt van vergelijking dienen. Toen was de snelheid honderd zestien meter in de seconde, hetgeen meer dan honderd uren gaans in het uur maakt.

"Vrees niets!" riep Robur in het Fransch. (Bladz. 176).

Het kwam er dus op aan, om voor den wind te lenzen, zoo als een schip bij storm zoude doen. Of beter de Albatros was genoodzaakt zich door die strooming, waartegen niet op te werken en waar niet uit te geraken was, mede te laten voeren. Maar intusschen, ten gevolge van dat medegevoerd worden, vlood het luchtschip in zuidelijke richting, dat wil zeggen, naar die poolstreken, die Robur had willen mijden. Helaas, hij was niet meer meester over zijnen koers, en moest gaan werwaarts de storm hem voeren wilde!

Torn Turner had het stuurrad ter hand genomen en hij had al zijne behendigheid noodig om het luchtschip voor kapzijzen te behoeden.

Bij het eerste lichten van den dageraad,-als men zoo die flauwe tint mag noemen, die aan den gezichteinder ontwaard werd,-had de Albatros vijftien breedtegraden, dat wil zeggen meer dan vier honderd uren gaans afgelegd van Kaap Hoorn af en overschreed toen den poolcirkel.

Daar duurt de nacht in de maand Juli nog negentien en een half uur. De zonneschijf verschijnt slechts boven den horizon om even spoedig weer te verdwijnen.

Bij de pool duurt de nacht gedurende honderd negen en zeventig etmalen. Alles duidde aan, dat de Albatros zich in dien nacht als ware het in eene afgrond zoude storten.

Wanneer eene waarneming mogelijk geweest ware, dan zoude zij aangetoond hebben, dat men zich op 66° 40' zuiderbreedte bevond. Het luchtschip was dus nog slechts op veertien honderd mijlen van de zuidpool verwijderd.

Het luchtschip, onweerstaanbaar naar dat ongenaakbaar punt van den aardbol gevoerd, "verslond", om het zoo uit te drukken, door zijne snelheid zijne zwaarte; hoewel deze ten gevolge van de afplatting der aarde bij de pool een weinig meer was dan elders. Het was, alsof het zijne opstuwingsschroeven niet meer noodig had. En weldra nam de storm zoodanig in hevigheid toe, dat Robur het raadzaam oordeelde om de snelheid der voortstuwingsschroeven tot een minimum van omwenteling te brengen, ten einde ernstige averij te voorkomen, en bij die geringe eigene snelheid toch stuur in het gevaarte te houden.

De ingenieur Robur deelde te midden van die gevaren zijne bevelen met koelbloedigheid uit, en zijne bemanning gehoorzaamde hem, alsof zij door hem bezield werd.

Uncle Prudent en Phil Evans hadden geen enkel oogenblik het dek van het luchtvaartuig verlaten. Men kon er bovendien zonder bezwaar blijven.

De lucht veroorzaakte geen of slechts weinig tegenstand. Het luchtschip verkeerde in die oogenblikken in den toestand van een luchtballon, die met de middenstof, waarin hij zich gedompeld gevoelt, medegevoerd wordt.

Het domein der zuidpool strekt zich uit, zooals beweerd wordt, over eene oppervlakte van vijfmaal honderdduizend vierkante meters. Bevindt zich daar een vastland? Of is het een archipel? Is het eene onmetelijke ijszee, die nimmer, zelfs niet gedurende den langsten zomer, ontdooit? Niemand weet dat.

Maar, wat men wel weet, dat is, dat de zuidpool veel kouder is dan de noordpool, hetgeen daaraan moet toegeschreven worden, dat er in het zuidelijk-halfrond veel minder land aangetroffen wordt dan in het noordelijk, ook aan den stand der aarde op hare omwentelingsbaan gedurende de zuidpool-winters.

Niets duidde intusschen aan, dat de storm gedurende dien dag zou afnemen. Het was bij den vijf-en-veertigsten westermeridiaan, dat de Albatros den poolcirkel binnen trad. Waar zou zij dien weer verlaten,-bij de veronderstelling altijd, dat zij dien zou kunnen verlaten?

In ieder geval, naarmate het vaartuig allengs naar het zuiden afzakte, kortte de dag al meer en meer. Het zou niet lang meer duren, of het zou in dien langdurigen nacht gedompeld zijn, die slechts door de maan verlicht wordt of door het bleeke schijnsel van het zuiderlicht.

Maar het was toen nieuwe maan, en waarachtig de reisgenooten van Robur liepen gevaar niets of niet bijster veel te zien van die streken, welker geheim nog aan de menschelijke nieuwsgierigheid of weetgierigheid ontsnapt is.

Zeer waarschijnlijk stevende de Albatros over eenige reeds herkende punten, b.v. in het westen het land van Graham, hetwelk in de nabijheid van den poolcirkel gelegen is, en in 1832 door Bisco? ontdekt werd, en Lodewijk Philipsland, hetwelk in 1838 door Dumont d'Urville ontdekt werd, de bekende bereikte grenzen op dit onbekende vastland.

Men leed aan boord van de Albatros niet veel van de koude. De temperatuur was minder laag dan men wel kon vermoeden. Het scheen, dat die storm een lucht-golfstroom was, die eene zekere hoeveelheid warmte met zich voerde.

Het was inderdaad zeer betreurenswaardig, dat die geheele streek in eene diepe duisternis gedompeld was. Hier dient evenwel opgemerkt te worden, dat, al had ook de maan hare lichtstralen verleend, de waarnemingen toch zeer weinig loonend zouden zijn uitgevallen. In dit gedeelte van het jaar toch bedekt een lijklaken van sneeuw, een harnas van ijs de geheele poolstreken. Men bespeurde er zelfs dien "blink" van het pakijs niet, welke eene witachtige tint bezit en aan die donkere gezichteinders ontbreekt.

Hoe onder zulke omstandigheden den vorm van het land, de uitgestrektheid der zee?n, de ligging der eilanden waar te nemen en op te nemen? Hoe het hydrografisch netwerk van het land te onderscheiden? Hoe het bergstelsel te herkennen, nu de heuvelen en de bergen niet van het pakijs en de ijsbergen te onderscheiden waren?

Iets vóór middernacht verlichtte een zuiderlicht de dikke duisternis. Met zijne zilveren franjes, met zijne stralen, die door het luchtruim schoten, vertoonde zich dat natuurverschijnsel in den vorm van een onmetelijken waaier, die over de eene helft van het uitspansel geopend zoude zijn. Zijne uiterste electrische uitstroomingen raakten het Zuiderkruis, welker vier sterren in het zenith schitterden. Het natuurverschijnsel was onvergelijkelijk schoon, en de helderheid, daardoor verspreid, was voldoende om een blik te kunnen werpen op die streek, welke in een wit lijkkleed gehuld scheen.

Het zal wel niet behoeven verhaald te worden, dat boven die streken, zoo nabij de Zuidpool, de magneetnaald van het kompas, voortdurend van streek, geene te betrouwen aanwijzingen weergaf met betrekking tot den te volgen koers. Maar hare inclinatie was op een gegeven oogenblik van zoodanigen aard, dat Robur voor zeker kon houden, dat hij boven de magnetische pool passeerde, die ongeveer bij den acht-en-zeventigsten zuiderbreedte-graad gelegen zoude zijn.

En later, toen hij tegen een uur in den morgen den hoek berekende, welke die naald met de loodlijn maakte, riep hij uit:

"De Zuidpool is onder onze voeten!"

Een wit kalotje werd ontwaard, maar liet niets gissen van hetgeen onder die dikke ijskorst verborgen was.

Het zuiderlicht verdween een weinig later en dat denkbeeldige punt, waar alle meridianen van den aardbol te zamen komen, moet nog gevonden worden.

Waarachtig, wanneer Uncle Prudent en Phil Evans het luchtschip en hen, die zich aan boord bevonden, in de meest geheimzinnige eenzaamheid wilden begraven, dan was de gelegenheid uiterst gunstig. En, als zij het niet deden, dan werd dit veroorzaakt, doordat hen nog het daartoe benoodigde middel ontbrak.

De storm schreed steeds met onverminderde kracht voort en met zulke snelheid, dat, wanneer de Albatros den een of anderen berg op hare baan ontmoet had, zij daarop verbrijzeld ware geworden evenals een schip, dat op eene rotsachtige kust zoude stranden.

En inderdaad, het luchtschip kon zich niet alleen niet meer in horizontale richting dirigeeren, maar het was ook onmachtig om in de hoogte te stijgen.

Daarbij kwam nog, dat eenige toppen op die zuidpoollanden aangetroffen werden. Het gevaar was dus groot. Ieder oogenblik was eene botsing te duchten, en die botsing zou de vernietiging van het luchtgevaarte ten gevolge hebben.

Het gevaar was dus groot. Ieder oogenblik was eene botsing te duchten. (Bladz. 184).

Zoo'n ramp was te meer te vreezen, daar de wind, nadat de Albatros den meridiaan zero gepasseerd had, naar het oosten neigde. Twee lichtende punten werden toen op een afstand van ongeveer honderd kilometers van het luchtvaartuig ontwaard.

Dat waren de twee vulkanen, de Erebus en de Terror, die tot het uitgestrekte bergstelsel van Ross behooren.

Zou de Albatros, evenals een reusachtige vlinder, zich de vleugels gaan verbranden aan die vulkanische vlammen?

Er werd een uur van pijnlijke spanning doorgebracht. Het was alsof een dier vuurspuwende bergen, de Erebus, zich op het luchtschip kwam storten, dat maar niet uit de zuiging van den storm kon geraken. De vlammen-bundels werden voor het oog ieder oogenblik grooter. Een slagboom van vuur sloot als het ware den weg af. Schitterende stralen verlichtten thans de ruimte. Alle voorwerpen aan boord hadden toen een rooden weerschijn aangenomen en gaven aan het vaartuig een waarlijk helsch uitzicht.

Alle opvarenden zonder onderscheid stonden onbewegelijk, zonder eenig geluid te maken, zonder eenig gebaar te wagen, en wachtten in spanning de schrikkelijke minuut, gedurende welke die vreeselijke haard hen met zijne vlammen zou omgeven.

Maar de storm, die de Albatros medevoerde, redde haar van de schrikkelijke ramp.

De vlammen van den Erebus werden door den stormwind ternedergedrukt en leverden zoo een doortocht aan het luchtschip. Te midden van een waren stortregen van vulkanische bestanddeelen, als lava-brokstukken, vulkanische asch en zand, die gelukkig door de middenpuntvliedende werking der opstuwingsschroeven afgewend werden, werd die in volle uitbarsting verkeerende krater overzweefd.

Een uur later verdwenen die beide kolossale toortsen, welke het uiteinde der bekende wereld gedurende de lange poolnachten verlichten, voor den blik der opvarenden van de Albatros achter den gezichteinder.

Tegen twee uur in den morgen werd het eiland Ballery, op de uiterste punt van de Ontdekkings-kust gelegen, gepasseerd, zonder dat men het evenwel kon verkennen, daar het door een band van ijs aan de poollanden vastgeklonken en daarvan niet te onderscheiden was.

Van den poolcirkel af, dien de Albatros andermaal op den honderd-vijf-en-zeventigsten lengtegraad bewesten Parijs sneed, werd zij over het pakijs en over de ijsbergen heengevoerd, waartegen zij honderdmaal gevaar liep zich te verbrijzelen. Het luchtschip was niet meer in de hand van zijn stuurman, maar in de hand van God.... en God is een betrouwbare loods!

De Albatros volgde toen den meridiaan, die een hoek van honderd en vijf graden maakt met die middagslijn, waarop zij het poolgebied binnentrad.

Toen zij eindelijk den zestigsten graad zuiderbreedte bereikt had, scheen de kracht van den storm te breken. Zijn geweld verminderde merkbaar. De Albatros begon weer meester over hare bewegingen te worden. Eindelijk-en dat was een ware verademing-kwam zij weer binnen de verlichte streken van den aardbol en verscheen de dag weer tegen acht uur in den ochtend.

Robur en zijne tochtgenooten, na aan den cycloon van kaap Hoorn ontsnapt te zijn, waren nu eindelijk van den storm bevrijd. Zij waren naar de Groote Stille Zuidzee teruggevoerd geworden, nadat zij zevenduizend kilometers in negentien uren afgelegd hadden. Dat was iets meer dan een uur gaans per minuut-eene snelheid die het dubbele was van die, welke de Albatros onder gewone omstandigheden met hare voortstuwingsmachines kon ontwikkelen.

Maar Robur wist niet meer waar hij was, ten gevolge van het onbruikbaar worden der kompasnaald in de nabijheid van de magnetische pool. Hij moest dus wachten tot de zon zich, onder gunstige omstandigheden tot het doen eener waarneming, zoude vertoonen.

Ongelukkig was het uitspansel met dikke wolken bezwangerd en dien dag verscheen de zon niet.

Dat was eene teleurstelling, die te eerder gevoeld werd, daar de beide voortstuwingsschroeven gedurende den storm nog al averij beloopen hadden.

Robur, die zich door dat voorval niets op zijn gemak gevoelde, kon gedurende dien geheelen dag slechts met eene betrekkelijk matige snelheid vooruitstevenen. Toen hij over de tegenvoeters van Parijs heen toog, bedroeg zijn vaart slechts zes mijlen in het uur. Men moest vooral oppassen de averijen niet te verergeren. Wanneer zijne twee voortstuwingsschroeven buiten staat geraakten om te kunnen arbeiden, dan zou de toestand van het luchtschip boven die uitgestrekte wateroppervlakte van de Groote Stille Zuidzee zeer zorgwekkend worden.

De ingenieur vroeg zich dan ook af, of het niet noodzakelijk ware, de herstellingen dadelijk en op de plaats zelve ten uitvoer te brengen, althans in zooverre, dat de reis vervolgd zou kunnen worden.

Den volgenden morgen-27 Juli-werd tegen zeven uur in den ochtend land in het oosten geseind.

Men herkende weldra dat het een eiland was. Een eiland! Ja, maar welk, onder die duizenden, waarmede de Groote Stille Zuidzee bezaaid is?

Robur besloot toch daar stil te houden zonder te landen. Volgens hem zou die dag voldoende zijn, om de geleden averij te herstellen, zoodat hij des avonds de reis nog zou kunnen hervatten.

De wind was geheel en al gevallen, hetgeen eene gunstige omstandigheid te noemen was voor de manoeuvres, welke uitgevoerd moesten worden. De Albatros zou, daar zij zwevende zoude blijven, niet heengevoerd worden, de hemel weet waar!

Een lange kabel van honderd vijftig voet, met een anker aan het uiteinde, werd over boord naar beneden gevierd. Toen het luchtschip bij den oever van het eiland aankwam, krabde het anker over de eerste rotsklippen en bleef tusschen twee overgroote steenklompen vast zitten. De kabel liep toen onder den invloed der opstuwingsschroeven strak en de Albatros bleef onbeweeglijk als een vaartuig ten anker.

Dat was de eerste maal sedert het vertrek van Philadelphia, dat er een materieel verbindingsmiddel tusschen het luchtschip en de aarde bestond.

Free to Download MoboReader
(← Keyboard shortcut) Previous Contents (Keyboard shortcut →)
 Novels To Read Online Free

Scan the QR code to download MoboReader app.

Back to Top

shares