MoboReader> Literature > Robur de Veroveraar

   Chapter 13 No.13

Robur de Veroveraar By Jules Verne Characters: 30048

Updated: 2017-11-30 00:04


Waarin Uncle Prudent en Phil Evans een geheelen oceaan oversteken, zonder zeeziek te worden.

Ja, de Atlantische Oceaan!

De vrees van de beide Amerikaansche gevangenen was bewaarheid.

Het scheen evenwel, dat Robur niet de minste ongerustheid koesterde om zich boven dien uitgestrekten oceaan te wagen. Zoo iets kon zijn geest en ook dien van zijne manschappen niet verontrusten; zij moesten immers aan dergelijke tochten gewoon zijn. Allen waren reeds bij het intreden van den nacht naar hunne hutten gegaan. Geen nachtmerrie zou hunnen slaap verstoren.

Waar stevende de Albatros heen?

Zou zij, zooals de ingenieur Robur gezegd had, meer dan de reis rondom de wereld afleggen?

In ieder geval zou die reis toch ergens moeten eindigen. Het was bepaald onaanneembaar, dat Robur zijn leven in de lucht aan boord van zijn luchtschip zou doorbrengen en dat hij nimmer aan wal zou komen.

Hoe zou hij zijn voorraad levensmiddelen aanvullen? En zijne munitie? Zonder nog te spreken van de noodige grondstoffen tot het inwerkingbrengen van de machines? Hij moet toch ergens een toevluchtsoord, eene havenplaats als men wil, in een onbekend en onbezocht oord van den aardbol hebben, waar de Albatros zich van het noodige kon voorzien.

Dat de ingenieur Robur iedere gemeenschap met de bewoners der aarde afgebroken had, was mogelijk; maar dat hij geene gemeenschap met de oppervlakte der aarde hield, was onmogelijk!

Wanneer echter die redeneering juist was, waar lag dan dat punt? Hoe was de ingenieur er toe gekomen om het te kiezen? Werd hij daar door eene kleine kolonie, welker opperhoofd hij was, verwacht?

Kon hij daar een nieuw personeel voor zijn luchtschip aanwerven?

En vooreerst, waarom hadden die lieden, welke van zoo verschillenden landaard waren, hunne toekomst aan zijn gesternte toevertrouwd?

Dan, eene andere gedachte: over welke middelen beschikte de ingenieur, om een zoo kostbaar gevaarte, waarvan de samenstelling zoo geheim was gehouden, te hebben kunnen vervaardigen? Het is waar, het onderhoud scheen niet duur te zijn. Men leefde aan boord in een soort van gezellige gemeenzaamheid, een waar familieleven. Die lieden waren blijkbaar gelukkig en staken dat niet onder stoelen of banken.

Maar, wie was dan toch eindelijk die Robur? Vanwaar kwam hij? Hoe was het met zijn verleden gesteld? Dat waren allemaal raadselen, die onmogelijk op te lossen waren; wanneer namelijk de betrokken persoon, die er het voorwerp van was, niet goedvond een tipje van het geheim op te tillen en zoo aanleiding tot ontdekking te geven. Maar zou hij dat doen? Voor onze gevangenen was dat zeer twijfelachtig.

Niemand zal zich dus verwonderen, dat in de gegeven omstandigheden, die van onoplosbare vraagstukken aan elkander hingen, onze beide gedwongen reizigers in zeer opgewonden toestand verkeerden. Zoo in het onbekende voortgevoerd te worden, geen blik in de uitkomst van zulk een avontuur te kunnen werpen, er zelfs aan te moeten twijfelen of het ooit een einde zoude nemen, veroordeeld te zijn tot eene eeuwigdurende vliegvaart, waren dat allen te zamen geen redenen te over om den voorzitter en den secretaris van Weldon-Institute tot een verschrikkelijk uiterste te drijven?

De Albatros stevende intusschen sedert dien avond van den 11den Juli boven den Atlantischen Oceaan.

Toen de zon den volgenden morgen opging, steeg zij boven die cirkelvormige lijn, welke op zee, daar waar het uitspansel en de watervlakte elkander schijnen te raken, eene onberispelijke kim vormt. Geen spoor van land was te bespeuren, en toch was de gezichtskring, die zich rondom het luchtvaartuig uitspreidde, onmetelijk groot. De Afrikaansche kusten waren aan den noordelijken gezichteinder verdwenen.

Toen de neger Frycollin zich buiten zijne hut waagde en hij dien onmetelijken oceaan onder zich zag, greep hem de angst weer bliksemsnel aan. Onder zich, is niet de juiste uitdrukking, beter is: rondom zich; want voor een waarnemer, die zich in de hooge luchtlagen bevindt, omringt hem de afgrond overal en schijnt de gezichteinder, die tot zijn waterpas opgestegen is, achterwaarts te wijken, zonder dat het mogelijk is de grenzen daarvan ooit te berekenen. Frycollin kon zich natuurlijk dat verschijnsel niet op wetenschappelijke gronden verklaren; maar het maakte een geweldigen indruk op hem, en was voldoende om dat "horror vacui," dat afgrijzen van het ledige, hetwelk zich bij sommige naturen en zelfs bij zeer moedigen openbaart, bij hem op te wekken. Maar de neger achtte het uit een soort voorzichtigheidsgevoel toch minder raadzaam jammerklachten te laten vernemen. De tobbe, waarin hij boven de Kaspische zee gebengeld had, was hem nog niet uit het geheugen. En, zoo iets moest hem eens boven dien grooten oceaan overkomen! Het was om het te besterven! Met gesloten oogen en met vooruitgestoken tastende handen sloop hij naar zijne hut, waarin hij het vooruitzicht had, lang te kunnen verwijlen.

Inderdaad, van de driehonderd vier en zeventig millioen, zeven en vijftig duizend negen honderd en twaalf vierkante kilometers, welke door de zee?n ingenomen worden op den aardbol, neemt de Atlantische Oceaan ruim een vierde gedeelte in1. En het bleek volstrekt niet, dat Robur gehaast was. Integendeel, want hij had geene bevelen verstrekt om het luchtschip met volle vaart te laten stevenen. Het was boemelen in den volsten zin des woords, zoo als de reis vervolgd werd. Daarenboven, de Albatros zou dezelfde snelheid als die, waarmede zij over Europa gevlogen was, namelijk van tweehonderd kilometer in het uur, niet hebben kunnen verkrijgen. In deze streken, waar de zuid-westenwinden heerschen, had zij den wind tegen, en hoewel die wind nog zwak was, had hij toch vat op het groote vaartuig.

In die intertropische luchtstreek, hebben de jongste verrichtingen van de weerkundigen, gesteund op een groot aantal waarnemingen, aangetoond, dat de passaatwinden eene groote baan van afwijking vertoonen, hetzij naar de Sahara, hetzij naar de golf van Mexiko. Rekent men de streek der windstilten niet mede, of beter uitgedrukt: buiten het gebied der windstilten, komen zij òf van het westen en waaien naar Afrika toe, òf wel van het oosten en waaien naar Amerika,-ten minste gedurende het warme seizoen.

De Albatros wendde dus geene pogingen aan, om tegen den ongunstigen wind te kampen. Zij had dat kunnen doen; maar dan had zij hare voortstuwende werktuigen met volle kracht moeten laten werken. Robur vergenoegde zich een gematigde vaart te onderhouden, die evenwel toch nog die der snelste transatlantische stoomers verre overtrof.

Den 13den Juli sneed het luchtschip de evenachtslijn.

Die heugelijke gebeurtenis werd aan het geheele personeel medegedeeld.

Zoo vernamen de voorzitter Uncle Prudent en zijn secretaris Phil Evans, dat zij van het noordelijk in het zuidelijk halfrond waren overgegaan.

Dat passeeren van de linie bracht geen der beproevingen, ceremoni?n en feestelijkheden mede, zooals aan boord van vele oorlogs- en koopvaardijschepen gebruikelijk is.

Alleen Fran?ois Tapage vergenoegde zich een pint water in den nek van Frycollin te gieten; maar daar die doop onmiddellijk gevolgd werd door de verstrekking van eenige oorlammen jenever, stelde de neger zich bereid de linie te passeeren, zoo dikwijls men zoude verkiezen. Maar zeker niet op den rug van een kunstmatigen vogel, die hem volstrekt geen vertrouwen inboezemde. Neen, volstrekt niet!

In den ochtend van den 15den Juli stevende de Albatros tusschen de eilanden Ascencion en Sint Helena, maar bevond zich toch veel dichter bij het laatstgenoemde, waarvan de hoogste toppen gedurende eenige uren aan den zuidelijken gezichteinder konden bespeurd worden.

Wanneer ten tijde, toen Keizer Napoleon I zich in de macht der Engelschen bevond, een luchtvaartuig bestaan had, zooals dat van den ingenieur Robur, dan zou Hudson Lowe, de Britsche cipier, gevaar hebben geloopen, in weerwil van zijne onkiesche en beleedigende voorzorgsmaatregelen, den beroemden gevangene in de lucht te hebben zien ontsnappen!

Gedurende de avonden van den 16den en 17den Juli werd een zeer zonderling verschijnsel van avondschemerings-lichtstralen ontwaard. Wanneer de Albatros zich op hooge breedten bevonden had, zou men aan het verschijnen van noorderlicht hebben kunnen gelooven. De zon schoot bij haren ondergang veelkleurige stralen, waarvan sommige levendig groen getint waren.

Was het eene wolk van kosmische stof, welke de aarde op hare baan toen doortrok, en welke stofdeeltjes de laatste stralen der dagvorstin weerkaatsten? Eenige waarnemers hebben gepoogd dien uitleg aan die schitterende avondschemerings-stralen te verleenen. Maar die geleerden zouden hunne beweringen niet gehandhaafd hebben, wanneer zij zich aan boord van het luchtschip bevonden hadden.

Na nauwkeurig voortgezet onderzoek toch werd bevonden, dat in de lucht heele kleine kristallen van augiet of pyroxeen, kleine glazen bolletjes, en zeer fijne deeltjes van magnetisch ijzer in suspensie rondzweefden. Die schier onvoelbare stof was niet ongelijk aan dat, hetwelk door sommige vuurspuwende bergen uitgeworpen wordt. Geen twijfel kon toen meer geopperd worden, of een vulcaan moest bij zijne uitbarsting, die stofdeeltjes uitgestooten hebben, welker kristalvormige lichaampjes het waargenomen natuurverschijnsel veroorzaakten2. Men bevond zich toen in een wolk van vulkanische stoffen, die, door de luchtstroomen vervoerd, boven den Atlantischen oceaan zweefden.

Toen vlood alles, ten prooi aan den hevigsten schrik. (Bladz. 156).

Andere natuurverschijnselen werden bovendien gedurende dit gedeelte van de reis nog waargenomen.

Het gebeurde bij voorbeeld vaak dat sommige wolken aan het geheele uitspansel door een zekere grijze tint een zeer bijzonder uiterlijk verleenden. Wanneer men dan die gordijn van dampen als het ware voorbij gestevend was, dan verscheen hare oppervlakte als bezaaid, als geheuveld door krulvormige wolkjes van eene schitterende witheid, die als het ware met kleine gestolde loovertjes overdekt waren, hetgeen onder andere breedten aan de vorming van hagel zou hebben doen denken. Misschien was het dat wel.

In den nacht van den 17den op den 18den Juli verscheen een prachtige maan-regenboog, die eene groen-geelachtige tint vertoonde. Dit luchtverschijnsel werd veroorzaakt door den stand, welken het luchtschip innam tusschen de volle maan en eene dichte gordijn van zeer fijne regendroppels, die vervluchtigden en verdampten, alvorens zij de zee bereikt hadden.

Moest uit al die verschillende natuurverschijnselen de gevolgtrekking gemaakt worden, dat er weersverandering op til was? Wie weet? Het was wel mogelijk.

Wat er ook van aan mocht zijn, zooveel is zeker dat de wind, die, sedert het luchtschip Afrika's kust verlaten had, uit het zuidwesten geblazen had, bij het naderen van de evenachtslijn zeer afgenomen was. Het was dan ook zeer warm in die keerkringsstreken, reden waarom Robur besloot in hoogere luchtlagen frischheid en levenslust te gaan opzoeken. Toch moest men een beschutting tegen de zon zoeken, welker stralen, rechtstreeks neervallende, onverdragelijk konden genoemd worden.

Die wijziging in de luchtstroomingen konden niet anders dan op veranderde klimatorische invloeden duiden, die zich aan de andere zijde der equinoxiaal-streken zouden doen gevoelen. Wij dienen daarbij de opmerking te maken, dat de maand Juli van het zuidelijk halfrond de maand Januari van het noordelijk halfrond vertegenwoordigt, dat wil dus zeggen: het hartje van den winter. Wanneer de Albatros nog meer om de zuid zoude koersen, zou zij dat spoedig genoeg ondervinden.

Op den 18den Juli, toen de steenbokskeerkring overschreden werd, deed zich een ander natuurverschijnsel voor, dat aan boord hevigen schrik en ontsteltenis veroorzaakte.

Eene vreemdsoortige opeenvolging van lichtgevende golvingen werd op de oppervlakte van den oceaan waargenomen. Die golvingen plantten zich met eene zoodanige snelheid voort, dat men haar op minstens veertig mijlen in het uur kon schatten. Zij volgden elkander ongeveer op tachtig meter afstand op en veroorzaakten lange lichtgevende strepen. Daar de nacht begon in te vallen, werd een sterke weerschijn van dat licht tot op de Albatros waargenomen.

Ditmaal had het luchtschip voor de een of andere gloeiende bolide of luchtsteen kunnen gehouden worden. Nimmer nog had Robur de gelegenheid gehad om boven eene zee van vuur te zweven,-vuur zonder hitte, ja zonder warmte, hetwelk hem niet noodzaakte in hoogere luchtlagen een toevlucht te zoeken.

De electriciteit moest de oorzaak van dat natuurverschijnsel zijn, want hier, te midden van den oceaan, was dat lichten niet aan de aanwezigheid van eene bank van vischkuit toe te schrijven of aan eene overgroote menigte van die mikroscopische diertjes, welker samenpakking het phosphoresceeren veroorzaakt.

Het was dus te veronderstellen, dat de electrische spanning van de atmosfeer uiterst aanzienlijk moest zijn. En dat was dan ook inderdaad zoo.

Want in den morgen van den 19den Juli zou een gewoon vaartuig, hetzij stoom-, hetzij zeilschip in zeer groot gevaar verkeerd hebben op die zee. Zeer waarschijnlijk zou het met man en muis vergaan zijn. Maar de Albatros, aan den machtigen vogel gelijk, welks naam zij droeg, spotte met wind en golven. Had zij geen lust om evenals de petrellen en de Kaapsche duiven langs de watervlakte te scheren, dan kon zij als de adelaar hooger stijgen en daarboven in de hoogere luchtlagen kalmte en zonlicht gaan zoeken.

In dit etmaal werd de zeven-en-veertigste zuiderbreedte-graad gepasseerd.

De dag duurde slechts zeven of acht uren. Hij zou al meer en meer korten, naarmate men de zuider poolstreken naderde.

Tegen één uur in den namiddag was de Albatros merkbaar gedaald, om een gunstiger luchtstroom op te zoeken. Zij stevende op minder dan honderd voeten boven de oppervlakte van den oceaan.

Het weder was kalm. In sommige gedeelten van het uitspansel vertoonden zich zwartachtige wolken, die zich aan hun bovengedeelte heuvelachtig vertoonden; maar aan hun benedengedeelte door eene scherpe lijn, die zuiver horizontaal liep, als het ware afgesneden werden. Uit die wolken ontsnapten langwerpige vooruitstekende gedeelten, welker punt het water der zee aantrok, dat daaronder hevig scheen op te koken, en niet ongelijk aan een struikgewas van vocht opwerkte.

Plotseling schoot dat water omhoog en nam den vorm van een onmetelijken, omgekeerden trechter aan.

In een ondeelbaar oogenblik werd de Albatros in de dwarlkolk opgenomen van eene onmetelijke luchthoos die, door een twintigtal anderen, zwart als inkt, werd vergezeld.

Gelukkig had de wentelende beweging dier hoos plaats naar den tegenovergestelden kant van die der opstuwende schroeven van het luchtschip; anders zouden dezen geen werking meer hebben kunnen uitoefenen en het gevaarte zou in zee gestort zijn.

Nu evenwel draaide het met eene verschrikkelijke snelheid op zich zelven rond.

Het gevaar was intusschen ontzagl

ijk groot, en wat het ergste was, er was niets tegen te doen, daar de ingenieur Robur er niet in slaagde zich van die hoos te bevrijden, welker opzuigingskracht het vaartuig, in weerwil van zijne voortstuwingsschroeven, in hare omarmingen terughield.

De manschappen werden door de middelpuntvliedende kracht naar de beide uiteinden van het dek geslingerd en moesten zich aan de reeling, aan de roeven, aan de potdeksels en aan andere uitstekende deelen vastklemmen, om niet over boord geslingerd te worden.

Robur vermaande zijne omgeving slechts tot koelbloedigheid.

Ja, die was inderdaad noodig; maar die niet alleen. Er moest ook geduld geoefend worden.

De voorzitter Uncle Prudent en zijn secretaris Phil Evans, die hunne hut verlaten hadden, werden als balen katoen over het dek geslingerd en liepen groot gevaar buiten boord te geraken. Gelukkig, dat zij zich grijpen konden. Want onder zulke omstandigheden wilden zij de Albatros niet verlaten.

Maar, terwijl de Albatros zoo om zich zelve wentelde, volgde zij tevens de verplaatsings-beweging van die hoozen, welke met eene snelheid ronddraaiden, waarop de schroeven jaloersch hadden kunnen zijn.

Wanneer het vaartuig aan de eene draaikolk ontsnapte, dan verviel zij weer in de aantrekkingskracht van een andere, en liep het zoodoende groot gevaar uit het verband gerukt of in stukken gesleurd te worden.

"Een kanonschot!..." riep de ingenieur uit.

Dat bevel gold Tom Turner.

De eerste officier had zich reeds vastgeklemd aan het kleine stuk geschut, hetwelk op het midden van het dek in batterij stond, alwaar de uitwerkselen van de middelpuntvliedende kracht zich het minst lieten gevoelen. De wakkere kerel begreep de gedachte van den gezagvoerder. In een ondeelbaar oogenblik had hij het sluitstuk van het kanon geopend, in welks kamer hij eene kardoes liet glijden, die hij uit een munitiekist, aan de affuit bevestigd, te voorschijn gehaald had. Het schot ging af en eensklaps stortten de hoozen in elkander en met haar viel het wolkendak, dat zij schenen te torsen.

Het dreunen van de lucht was voldoende geweest, om dat natuurverschijnsel te vernietigen. De wolkenmassa loste zich in een plas regen op, die het uitspansel met loodrechte streepen teekende, welke zich als een onmetelijk netwerk van water van den hemel tot de zee uitbreidde.

De Albatros, eindelijk vrij geworden, steeg zoo spoedig mogelijk eenige honderden meters.

"Goddank!" was de verzuchting, die uit veler borst opwelde. "Goddank!"

"Is er niets gebroken of beschadigd aan boord?" vroeg de ingenieur Robur.

"Neen," antwoordde Tom Turner, "maar wij hebben daar rondgedraaid als een drijftol. Het zal geraden zijn, aan dat spelletje niet meer mee te doen."

Inderdaad, gedurende tien minuten ongeveer had de Albatros in het grootste gevaar verkeerd van te vergaan. Ware zij niet zoo buitengewoon sterk gebouwd, dan ware zij voorzeker in de kolken dier hoozen verbrijzeld geworden.

Hoe lang viel toch de tijd gedurende dien overtocht over den Atlantischen Oceaan, vooral wanneer geene natuurverschijnselen de eentonigheid daarvan kwamen verbreken! Daarenboven de dagen kortten al meer en meer en de koude deed zich vinnig gevoelen.

Uncle Prudent en Phil Evans zagen thans den ingenieur Robur zeer weinig. Deze bleef in zijn hut opgesloten en hield zich onledig met zijn bestek op te maken, met den afgelegden weg en de gevolgde richting op zijne kaarten met puntlijnen aan te geven, met de hoogte op te nemen, zoo dikwijls zulks mogelijk was, om zoodoende steeds te weten waar hij zich bevond, met de aanwijzingen zijner barometers, thermometers, hygrometers, en chronometers op te teekenen en eindelijk met het invullen van zijn dagboek, waarin hij alle voorvallen, de reis betreffende, neerschreef.

Wat zijn beide gevangenen betrof, die brachten het grootste gedeelte van hunnen tijd op het dek door, alwaar zij, behoorlijk door dikke kapmantels tegen de koude beschut, ijverig uitkeken om in zuidelijke richting eenig land te bespeuren.

Frycollin van zijn kant trachtte, op nadrukkelijk aandringen van zijn baas Uncle Prudent, den kok Fran?ois Tapage met betrekking tot den ingenieur Robur te polsen. Maar, hoe kon aan het gekakel en gezwets van dien Gasconjer eenig gewicht gehecht worden? Hoe kon het iemand in het hoofd komen, daarop staat te maken? Nu eens vertelde hij, dat Robur een gewezen Minister was van de Argentijnsche Republiek, dan weer dat hij een der hoofden van de Engelsche Admiraliteit was, later dat hij een gepensionneerde President der Vereenigde Staten van Noord-Amerika was, een Spaansch Generaal op non-activiteit, een Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Insulinde, een Onderkoning van Britsch-Indi?, die eene nog hoogere positie in de luchtlagen was gaan zoeken.

Nu eens bezat hij millioenen, die hij door middel van strooptochten met zijn luchtschip verkregen had, en stond daarom aan gerechtelijke vervolging bloot.

Een anderen keer luidde het verhaal, dat Robur zijn geheele vermogen verslonden had met den bouw van zijn luchtschip en dat hij genoodzaakt zou zijn om in de groote steden openbare opstijgingen te gaan doen, om zoo te trachten zijn geld terug te krijgen.

Op de vraag van Frycollin of Robur ergens halt hield, ergens ten anker kwam, had Fran?ois Tapage een beslist "neen" geantwoord; maar daarbij medegedeeld, dat de ingenieur van plan was naar de maan te gaan, niet in figuurlijken, maar in daadwerkelijken zin, en dat wanneer hij daar eene plek vond, die hem beviel, hij zich daar wilde vestigen.

"Wel, Fry.... ouwe jongen!.... dat zou je genoegen doen, niet waar?" had de kok gevraagd.

"Wat?"

"Eens te gaan kijken, wat daar al zoo boven omgaat!"

"Neen, waarachtig niet!"

"Wat, niet?"

"Ik zal niet gaan.... Ik weiger bepaald!..." antwoordde de domkop, die al die dwaasheden voor goede munt opnam en niet begreep, dat de oolijke Gasconjer hem voor den gek hield.

"Waarom, Fry, wil je niet gaan?"

"Wel, omdat ik niet wil!"

"We zouden je daar met een lief mooi meisje uithuwelijken, met een jeugdige bewoonster van de maan... en je zoudt daar stamvader worden van een troep elegante negertjes en negerinnetjes!"

"Loop naar den drommel!" riep Frycollin getergd uit.

"Zeg liever naar de maan, Fry lief, dan ga je meê."

"Juist naar de maan! Loop naar de maan, maar alleen, hoor je!"

En als dan Frycollin al die praatjes aan zijn baas Uncle Prudent overbracht, dan bemerkte deze laatste wel, dat hij omtrent Robur niets vernemen zou. Hij kwam er dan ook toe, om op niets anders bedacht te zijn dan zich te wreken.

"Phil," sprak hij op zekeren ochtend geheimzinnig tot zijn secretaris.

"Wat is er, Uncle Prudent?"

"Ik geloof dat het thans vaststaat, dat de vlucht onmogelijk is."

"Ja, onmogelijk."

"Het zij zoo," hernam de voorzitter van Weldon-Institute met een zucht, "maar een man moet zich zelven steeds toebehooren. En als het moet, dan moet hij zijn leven weten te offeren..."

"Nu, als dat offer gevergd wordt, dat het dan snel geschiede, ja zoo spoedig mogelijk!" antwoordde Phil Evans, die wel is waar een koelbloediger geaardheid bezat; maar toch in de gegeven omstandigheden ook tot de uiterste grenzen der gelatenheid genaderd was. "Ja, het is tijd, dat er een einde aan komt!"...

"Dat is het, Phil."

"Want, waar stevent de Albatros heen? Thans steekt zij den Atlantischen Oceaan in schuine richting over, en blijft zij dien koers volgen, dan zal zij de kusten van Patagoni? bereiken, daarna het grondgebied van Vuurland... En daarna? Zeg, Uncle Prudent, daarna?"

"Ja, wie kan daarop antwoorden, Phil Evans?" hernam de voorzitter.

"Zal het luchtschip zich boven de Stille Zuidzee begeven? Of zal het naar de onbekende continenten van de Zuidpool stevenen?"

"Dat ware verschrikkelijk, Phil!"

"Alles is met dien Robur mogelijk!"

"Ja, alles!"

"Wij zouden ons dan als verloren moeten rekenen... Hier bestaat dus een geval van wettigen tegenweer... en als wij dan toch moeten omkomen..."

"Laat het dan niet zijn, zonder ons gewroken te hebben!" riep Uncle Prudent uit, "niet zonder ons gewroken te hebben, niet zonder dit gevaarte vernietigd te hebben en allen, die zich aan boord bevinden!"

De beide gevangenen waren ten gevolge van onmachtige woede, van opgekropten toorn en razernij zoover gekomen, dat zulke plannen in hun brein opkwamen. Ja, daar het moest, zouden zij zich opofferen om den uitvinder tegelijkertijd met zijn geheim te verdelgen.

Dat bewonderenswaardige luchtschip, welks voortreffelijkheid als luchtvaartmiddel zij genoodzaakt waren te erkennen, zou dus nog slechts weinige maanden mogen bestaan.

Nu was dat fatale plan zoodanig in hun brein gedrongen, dat zij waarlijk aan niets anders meer dachten, dan het ten uitvoer te leggen, maar hoe? Wel, door te trachten in het bezit te geraken van een dier ontplofbare dynamietpatronen, die in de kruitkamer van het luchtschip opgeborgen waren en waarmede zij den geheelen boel uit elkander wilden doen springen. Maar, om die te bemachtigen, zouden zij eerst toegang tot de kruitkamer moeten kunnen verkrijgen.

Gelukkig giste Frycollin hoegenaamd niets van die plannen. Alleen de gedachte dat de Albatros te midden van de lucht in de lucht zou kunnen vliegen, zou hem er toe gebracht hebben, zijn meester te verklikken!

Op den 23sten Juli kreeg men eindelijk in het zuidwesten weer land in het gezicht. Dat was zoo om en nabij de Maagdenkaap, aan den ingang van de Straat van Magelhaen. Daar op den vier-en-vijftigsten breedtegraad, duurde de nacht gedurende dit gedeelte van het jaar reeds bij de achttien uren en daalde het kwik van den Celsius-thermometer tot op zes graden onder nul, dus beneden het vriespunt.

De Albatros begon eerst, alvorens meer zuidwaarts te stevenen, de kronkelingen van die zee?ngte te volgen, alsof zij naar den Grooten Stillen Oceaan wilde stevenen. Na over de baai van Lomas gezweefd te zijn en den Gregory-top en het Breeknocks-gebergte in het westen ter zijde gelaten te hebben, werd Punta Arena, een klein Chilisch dorpje verkend, op het oogenblik dat de klok op den kerktoren uit alle macht geluid werd.

Daarna werd eenige uren later de oude nederzetting, de Uithongerings-haven genaamd, ontwaard.

De opvarenden van het luchtschip konden geen oordeel vellen over de bewering, dat de Patagoni?rs, welker hutten in het gezicht waren, eene lengte van gestalte boven het gemiddelde zouden hebben, daar deze zich als dwergen voordeden voor den blik van hen, die daar boven in de wolken zweefden.

Maar, al waren de dagen zeer kort, gedurende de uren dat het oog waarnemen kon, spreidde zich een indrukwekkend tafereel voor de luchtreizigers uit. Steile bergwanden, toppen met eeuwigdurende sneeuw bedekt, hellingen met dichte wouden getooid, binnenzee?n en baaien, gevormd tusschen de schiereilanden en de eilanden van dien archipel, die uit een mengelmoes van streken bestaat als: Clarence-Land, Dawson-Land, Desolation-eiland met eene schier ontelbare menigte van zee?ngten, kanalen en doorgangen, met hare vele kapen en voorgebergten, met dat geheele onuitwarbaar kluwen van land en zee, waarvan het ijs reeds eene vaste aaneengeschakelde massa gevormd had van Kaap Forward af, alwaar het Amerikaansche vasteland eindigt, tot aan Kaap Hoorn, de uiterste landspits van de Nieuwe Wereld.

Toen men de Hongersnood-haven voorbij gestevend was, werd het duidelijk dat de Albatros haren koers naar het zuiden ging voortzetten. Zij gleed tusschen den berg Tarn, op het schiereiland Brunswijk gelegen, en den Gravenberg door, en koerste recht op den Sarmientoberg aan, welks overgroote top, geheel met ijs bedekt, de Straat van Magelhaen beheerscht en eene hoogte van tweeduizend meters boven de oppervlakte der zee bereikt.

De zon schoot bij haren ondergang veelkleurige stralen. (Blz. 160).

Dat was het vaderland der Pecheraizen of der Vuurlanders, de inboorlingen, welke daar dien uitersten uithoek bevolken. Hoe bekoorlijk fraai zou dat land niet geweest zijn zes maanden vroeger of later, wanneer het volle zomer zou zijn, wanneer het daglicht vijftien of zestien uren lang zoude duren. Hoe vruchtbaar zou die streek zich dan niet aan den blik onzer reizigers voorgedaan hebben, vooral in haar zuidelijk gedeelte! Dan zou men overal valleien en weilanden ontwaard hebben, welke duizenden runderen en schapen zouden kunnen voeden; maagdelijke bosschen met reusachtige boomen, berken, beuken, esschen, cypressen, stamvarens; vlakten, weelderig met gras overdekt, waarin quarakken of Braziliaansche kalkoenen, Peruaansche schapen en struisvogels in geheele zwermen en kudden dan zouden dartelen. En in weerwil van de koude, was er toch nog heel veel wild aanwezig, zooals: pengouinen of vetganzen en ander gevogelte. Toen dan ook de Albatros hare electrische verlichtingstoestellen in werking bracht, vlogen eenden, ganzen en duikerhoenders, verblind door dat scherpe licht, in zulk eene menigte aan boord, dat er gelegenheid was om de provisie-hutten van Fran?ois Tapage meer dan overvloedig aan te vullen.

Daardoor bekwam onze kok, die dat wild zoodanig wist toe te bereiden, dat de zoo walgelijke traansmaak niet meer te bespeuren was, een zoodanige vermeerdering van werk, dat Frycollin hem helpen moest om al dat gevogelte, dat bij vele dozijnen gevangen was, te plukken. En de neger deed dat gaarne, want als Fran?ois Tapage in een goede luim was, dan was er steeds een oorlam in 't uitzicht, en Frycollin hield veel van een oorlam.

Dien dag bespeurde men, op het oogenblik dat de zon onder zou gaan, dat wil zeggen tegen drie uren in den namiddag, een uitgestrekt meer, hetwelk door een zoom van prachtige bosschen op de meest schilderachtige wijze omlijst was. Dat meer was geheel en al bevroren, en eenige inboorlingen vermaakten zich er op met glijden, waartoe zij eene soort van lange raketten onder de voeten gebonden hadden.

Toen die Vuurlanders het luchtschip in het oog kregen, sloeg hen de schrik om het hart en vloden zij in alle richtingen heen. En zij, die niet vluchten konden, verborgen zich, kropen in aardholen of drukten zich tegen den grond aan evenals de dieren.

Intusschen stevende de Albatros steeds zuidwaarts, zweefde over het Beagle-kanaal, dat niet ver gelegen is van het eiland Navarino, welks Grieksche naam wel ietwat vreemd klinkt te midden van de meer ruwe namen van die verafgelegen streken. Eindelijk werd Wollaston overschreden, het uiterste eiland van den Grooten Stillen Oceaan. Eindelijk, na zevenduizend vijfhonderd kilometers sedert het vertrek van de kusten van Dahomey afgelegd te hebben, passeerde het luchtschip de laatste eilandjes van den Magelhaen-Archipel en ten slotte het meest vooruitspringende van die groep naar het zuiden, welks punt door eene eeuwigdurende branding geteisterd wordt, namelijk de schrikkelijke kaap Hoorn.

* * *

1 De oppervlakte van het land bedraagt: 136.051.371 vierkante kilometers.

2 Zoo iets is werkelijk na de hevige uitbarsting van Krakataoe in Nederland waargenomen.

Free to Download MoboReader
(← Keyboard shortcut) Previous Contents (Keyboard shortcut →)
 Novels To Read Online Free

Scan the QR code to download MoboReader app.

Back to Top

shares