MoboReader> Literature > Robur de Veroveraar

   Chapter 10 No.10

Robur de Veroveraar By Jules Verne Characters: 31434

Updated: 2017-11-30 00:04


Waarin men zien zal, hoe en waarom de knecht Frycollin op sleeptouw genomen wordt.

De ingenieur Robur had geen plan om zijn luchtschip over die wonderlijke streken van Hindostan rond te voeren. Hij was over het Himalaya-gebergte gestevend om te toonen, welk bewonderenswaardig toestel, tot reizen geschikt, hij bezat. Hij verlangde hen te bekeeren, die niet bekeerd wilden zijn. Iets anders beoogde hij ongetwijfeld niet.

Volgt daar nu uit, dat de Albatros volmaakt zoude zijn? De volmaaktheid is toch niet van deze wereld.

Wij zullen later wel zien.

In ieder geval, al waren Uncle Prudent en zijn medegevangene genoodzaakt de macht en de bestuurbaarheid van dat toestel tot luchtvaart te bewonderen, zoo lieten zij daarvan toch niets blijken. Zij zagen slechts uit naar eene gelegenheid om te kunnen ontvluchten. Zij bewonderden zelfs het prachtige schouwspel niet, hetwelk zich voor hun oog uitspreidde, terwijl de Albatros langs de grenzen van Pendjaub stevende.

Aan den voet van het Himalaya-gebergte bestaat een breede strook moerasgrond, waaruit ongezonde dampen opstijgen. In die streken bestaat de moeraskoorts in endemischen toestand. Maar zoo iets was niet in staat om de bewegingen van de Albatros te verlammen, of om den gezondheidstoestand van haar personeel in gevaar te brengen.

Het luchtschip steeg en verwijderde zich, zonder haast te maken, in de richting van den hoek, dien Hindostan met hare aanraking met Turkestan en China maakt. Den 29sten Juni opende zich bij het krieken van den dag voor de opvarenden van de Albatros het onvergelijkelijke dal van Cachemir.

Ja, die vallei mag onvergelijkelijk heeten. Zij ligt tusschen het groot en klein Himalaya-gebergte, wordt doorsneden door honderden voorgebergten, welke de middenketen tot in het waterbekken van den Hydaspes uitzendt, en die daar als het ware in de vlakte uitsterven. Die vallei wordt toch besproeid door de grillige kronkelingen van den stroom, die het samentreffen van de legers van Porus aanschouwde, dat wil zeggen van de legers van Indi? en van Griekenland, die te midden van Centraal-Azi? handgemeen raakten.

Die Hydaspes is nog altijd daar; maar de beide steden, door den Macedoni?r ter herinnering aan zijne overwinningen gesticht, zijn zoodanig verdwenen, dat de plaats, waar zij gestaan hebben, niet meer aan te wijzen is.

De Albatros stevende dien ochtend boven Szinagar, meer bekend onder den naam van Cachemir. Uncle Prudent en zijn makker zagen eene trotsche stad welke zich langs de beide oevers der rivier uitstrekte en waarbij hare houten bruggen, die den stroom overspanden, zich als spinrag vertoonden. Zij ontwaarden hare chalets, met balcons van houtsnijwerk versierd, hare wandelplaats door hooge populieren belommerd, hare met zoden bedekte daken, die wel eenigermate het uiterlijk van molshoopen hadden, hare veelvuldige kanalen, waarop de schuitjes als notendoppen en de voerders als mieren schenen, hare paleizen, hare tempels, hare kiosken, hare moskee?n, hare bungalows bij het binnenkomen der voorsteden. En dat alles spiegelde in het water en vertoonde alzoo een dubbel beeld. Daarna verscheen hare oude Citadel van Hari Parvata, op den nok van een heuvel gelegen, alsof zij even belangrijk ware als de Mont-Valerien, het belangrijkste der forten rondom Parijs.

"Dat zou Veneti? kunnen zijn," zei Phil Evans, "wanneer wij in Europa waren!"

"Wanneer wij in Europa waren," antwoordde Uncle Prudent, "dan zouden wij den weg naar Noord-Amerika wel weten te vinden!"

De Albatros vertraagde hare vaart niet boven het meer, waardoor de rivier stroomt; maar hernam haren tocht door het dal der Hydaspes.

Gedurende een half uur ternauwernood bleef het vaartuig, slechts op een afstand van tien meters van de oppervlakte der rivier, onbeweeglijk stil. Daarvan maakte Tom Turner gebruik, om door middel van eene getah-pertjah buis, die naar beneden gelaten werd, de watervaten van het vaartuig te vullen. De vloeistof werd opgezogen door eene pomp, die door den stroom der accumulatoren in beweging gebracht werd.

En zweefde eindelijk boven de hoofdplaats van het Hemelsche rijk. (Bladz. 110).

Uncle Prudent en Phil Evans hadden een blik met elkander gewisseld. Een zelfde gedachte was hun door het brein gevaren. Zij waren slechts op weinig meters boven de oppervlakte van den Hydaspes verwijderd, en de oevers waren binnen hun bereik. Want beiden waren goede zwemmers. Een kopje-onder kon hen de vrijheid hergeven, en hoe zou Robur hen weer vatten, wanneer zij onder water verdwenen waren. Was hij niet verplicht, ten einde zijne voortstuwingswieken alle vrijheid van omwenteling te kunnen geven, om zich op minstens twee meter boven de wateroppervlakte te houden?

In een ondeelbaar oogenblik had zich het voor en tegen in hun geest ontwikkeld en hadden zij het overwogen. Eindelijk wilden zij over de verschansing springen, toen verscheidene handenparen hen grepen.

Men hield hen in het oog. Zij werden in de onmogelijkheid gesteld om te kunnen ontvluchten.

Maar ditmaal gaven zij zich niet zonder tegenstand te bieden over. Zij wilden hen, die hen vasthielden, terugstooten. Maar het waren stevige kerels, die mannen van de Albatros!

"Heeren," vergenoegde de ingenieur zich tot hen te zeggen, "wanneer men het pleizier smaakt te reizen in gezelschap van Robur den Veroveraar, zooals gij hem terecht genoemd hebt, en dat nog wel aan boord van zijne bewonderenswaardige Albatros, dan verlaat men hem zoo niet.... met de Noorderzon! Ik voeg er zelfs bij, dat men hem dan in het geheel niet meer verlaat!"

De secretaris Phil Evans voerde zijn verbolgen lotgenoot heen, die op het punt stond zich aan betreurenswaardige daden van geweld over te geven.

Toen beiden in de roef teruggekeerd waren, vormden zij het onwrikbare besluit om te vluchten, om het even waar, om het even of de poging hun het leven zou kosten.

De Albatros had haren tocht in westwaartsche richting hervat.

Gedurende dien dag had zij het grondgebied van Kaboulistan, waarvan men gedurende een oogenblik de hoofdstad had kunnen ontwaren, bij matige snelheid overgestevend. Daarna werd de grens van het koninkrijk Herat, op een afstand van elfhonderd kilometer van Cachemir gelegen, overschreden.

In die streken, welke nog steeds zoo betwist worden, als de open toegangsweg voor de Russen tot de Engelsche bezittingen in Indi?, werd men eene groote opeengepakte menigte van volk gewaar. Men zag er kolonnes, convooien, in één woord alles, wat het personeel en het materieel van een leger op marsch te zamenstelt. Men hoorde ook kanonschoten en het geknetter van geweervuur.

Maar de ingenieur Robur mengde zich nooit in de zaken van anderen, vooral wanneer de gerezen kwesti?n zich voor hem niet als vraagstukken, de eer en humaniteit rakende, voordeden.

Hij stevende voort.

Al was Herat ook al de sleutel tot centraal Azi?, zooals men beweert, dan kon hem dat bitter weinig schelen, of die sleutel in handen der Britten of der Moscovieten was.

De aardsche belangen konden den stoutmoedige, die van het luchtruim zijn domein gemaakt had, niet meer bekoren. En zoo iets was wel begrijpelijk.

Daarenboven, de streek zou weldra verdwijnen in een orkaan van zand, zooals er in die gewesten zoo vaak ontstaan. Zoo'n orkaan wordt "tebbad" genoemd. Deze vervoert de koortskiemen tegelijkertijd met de onvoelbare en de onweegbare stofwolken, die hij op zijn doortocht allerwege doet opstuiven.

En hoeveel karavanen komen niet in die zandstormen om, en vinden daarin niet een rampzalig uiteinde!

De Albatros steeg, om aan die stofwolken te ontkomen, die de fijnheid van bewerking zijner kamraderen en zijner cilindervormige drijfassen hadden kunnen bederven, tot ongeveer tweeduizend meters, om een zuiverder dampkring op te zoeken.

Daarna verdwenen de grenzen van Perzi? met zijne uitgestrekte vlakten, die voor onze reizigers onzichtbaar bleven. De vaart was zeer gematigd, hoewel geen enkele klip, geen enkel gevaar te vreezen was.

En inderdaad, geeft de topographische kaart des lands ook al eenige terreinverheffing aan, dan bedraagt die niet veel en blijft zij geheel en al binnen de grenzen der middelmatigheid.

Maar toen men de hoofdstad naderde, moest men er op bedacht zijn, het Damavend-gebergte te mijden, welks top, met sneeuw en ijs bedekt, zich op zesduizend-zeshonderd meters verheft. Daarna diende men de Elbrous-bergketen te mijden, aan welker voet Teheran gebouwd is.

Bij het aanbreken van den dag op den 2den Juli, kwam eindelijk dat Damavend-gebergte in het gezicht, dat als uit een orkaan van zand te voorschijn trad.

De Albatros regelde haren koers zoodanig, dat zij over de stad, die door den heerschenden wind in een wolk van fijn stof gehuld werd, heenstevende.

Evenwel omstreeks tien uur in den voormiddag, begon men de breede grachten te ontwaren, die den omheiningswal omgeven. En te midden daarvan bespeurde men het paleis van den Shah, welks muren met tegels van gebakken aardewerk bekleed waren. Men kreeg de badplaatsen te zien, die zich voordeden, alsof zij in onmetelijke groote turkooizen van een schitterend blauwe kleur uitgehold waren.

Dat was slechts als een droomgezicht. Als een zeer schoon droomgezicht, wel is waar.

Van dat verkenningspunt wijzigde de Albatros haren koers en stevende toen bijna zuiver noord. Eenige uren later bevond zij zich boven eene kleine stad, in een der noordelijk uitspringende hoeken van de Perzische grens aangelegd, op de boorden van eene groote wateruitgestrektheid, waarvan men noch in het noorden, noch in het oosten de oevers vermocht te bepalen.

Die stad was de havenplaats Ashourada, het meest vooruitgeschoven Russische station in zuidelijke richting.

Die wateruitgestrektheid was eene zee. Het was de Kaspische zee.

Toen werden geene stofwolken meer waargenomen. Men had nu een gezicht op een samenraapsel van huizen, volgens den Europeeschen stijl gebouwd, welke langs een laag voorgebergte geschaard stonden en door een klokketoren beheerscht werden.

De Albatros daalde tot bijna rakelings op de oppervlakte dier zee neder, welker waterpas op driehonderd voeten beneden dat van de Zwarte- en van de Middellandsche zee gelegen is.

Het luchtschip stevende tegen het vallen van den avond langs die kust, welke vroeger tot Turkestan behoorde, maar thans Russisch is en zich naar de Balkangolf ombuigt.

Daags daarna-den 3den Juli-zweefde het op honderd meters ongeveer boven den spiegel der Kaspische zee.

Geen wal was in het gezicht, noch aan den kant van Azi?, noch aan dien van Europa. Op de oppervlakte der zee werden eenige witte zeilen ontwaard, die door de bries bevallig gezwollen waren. Dat waren inlandsche vaartuigen, die gemakkelijk aan hunnen vorm te herkennen waren, zooals "keseby's" met twee masten, "kaijuks", oude zeerooversvaartuigen met een mast, of "teimils", eenvoudige visscherssloepen. Hier en daar stegen rookwolken op, die de Albatros bereikten. Zij werden uitgebraakt door de schoorsteenpijpen van de stoombooten van Ashourada, welke door Rusland, ter uitoefening van de politie in de Turkomansche wateren, op de Kaspische zee onderhouden werden.

Dien ochtend stond de eerste officier van de Albatros, Tom Turner, met Fran?ois Tapage, den kok van boord, te praten en antwoordde op eene vraag van dezen het navolgende:

"Ja, zeker; wij zullen gedurende ongeveer acht en veertig uren boven de Kaspische zee blijven stevenen."

"Dat is overheerlijk," antwoordde de kok, zich vergenoegd in de handen wrijvende.

"Mag ik u vragen, wat overheerlijk is, master Tapage?" vroeg Tom Turner deftig.

"Wel, dat wij zoolang boven die zee blijven."

"En waarom is dat overheerlijk? Ik begrijp niet...."

"Wel, dan zal ons wel verlof gegeven worden om te visschen," zei de kok. "Zou het niet, master Turner?"

Wilden zij over de verschansing springen, toen verscheidene handen-paren hen grepen. (Bladz. 118).

Deze knikte bevestigend.

"Daar zegt ge zoo iets," hernam hij. "Ik zal alles in gereedheid doen brengen."

En inderdaad, daar men ongeveer veertig uren noodig had, om de uitgestrektheid van zes honderd vijf en twintig mijlen af te leggen, welke deze zee, die twee honderd mijlen breed is, over hare lengte-as meet, mochten daarbij nog wel eenige uren gevoegd worden ter vischvangst, gedurende welke de snelheid van vaart der Albatros zeer gematigd, ja zelfs nul zou kunnen genoemd worden.

Het antwoord van Tom Turner was door den secretaris van Weldon-Institute, die zich in dit oogenblik vooruit bevond, gehoord geworden. Dat gaf hem eene welkome afleiding.

Hij werd toch in dit oogenblik door den knecht Frycollin bestormd met eindelooze klaagliederen over zijn verblijf aan boord en met hartverscheurende smeekbeden, om toch zijn tusschenkomst te verleenen bij Uncle Prudent, opdat deze mocht toestaan, dat zijn neger ergens "aan wal" gezet werd.

Zonder op dat zotte gekakel van den zwartkop te antwoorden, greep Phil Evans de gelegenheid aan en spoedde zich naar het achterschip, om den voorzitter van Weldon-Institute op te zoeken. Daar maakte hij, na alle voorzorgsmaatregelen genomen te hebben, ten einde niet gehoord te worden, dezen bekend met de woordenwisseling tusschen den eersten officier Tom Turner en den kok Fran?ois Tapage.

"En wat denkt gij er van?" vroeg hij ten slotte aan Uncle Prudent.

"Wat ik er van denk?..." antwoordde deze. "Wel, dat wij ons geene droombeelden te scheppen hebben omtrent de gedragslijn van dien ellendeling ten onzen opzichte!"

"Neen, waarlijk niet," hernam Phil Evans. "Hij zal ons eerst wanneer hem dat zal behagen de vrijheid weergeven.... als hij ze ons ooit weergeeft!"

"Dus in ieder geval moeten wij alles beproeven, om de Albatros te ontvluchten!"

"Het is toch een bewonderenswaardig toestel...."

"Wat?.... Wat is bewonderenswaardig?" vroeg Uncle Prudent onstuimig en verwoed.

"Die Albatros.... Ja, zij is bewonderenswaardig, dat moet erkend worden, niet waar?"

"Dat is mogelijk!" riep Uncle Prudent grimmig uit. "Maar die Albatros is het eigendom van een schavuit, die ons wederrechtelijk gevangen houdt. En van die zijde beschouwd, levert dit luchtvaartuig een voortdurend gevaar op voor ons en onze vrienden. En als wij er niet in slagen om het te vernietigen...."

"Laten wij beginnen met te vluchten!...." antwoordde de secretaris Phil Evans. "Later kunnen wij zien...."

"Ja.... het zij zoo!" hernam Uncle Prudent, "....en laten wij iedere gelegenheid benutten, die zich zal voordoen."

"Goed, dat zullen wij."

"De Albatros" ging de voorzitter van Weldon-Institute voort, "zal blijkbaar de Kaspische zee overstevenen, en daarna boven Europa, hetzij in het noorden boven Rusland, hetzij in het westen boven mildere landstreken zweven. Welnu, waar wij ook voet aan wal zullen zetten, zullen wij wel terechtkomen en onzen weg wel weten te vinden. Wij moeten dus ieder oogenblik van den dag of den nacht gereed zijn."

"Maar...." wilde Phil Evans vragen.

"Maar, wat?"

"Hoe zullen wij vluchten?"

"Luister," zei Uncle Prudent, met den meest mogelijken ernst en deftigheid.

"Ik ben geheel gehoor," antwoordde zijn secretaris.

"Het gebeurt vaak, dat de Albatros gedurende den nacht slechts op weinige honderd voeten boven den grond zweeft. Nu bevinden zich aan boord kabeltouwen genoeg van die lengte...."

"Jawel, maar...."

"Shutt!.... Met een weinig stoutmoedigheid zou men zich misschien naar beneden kunnen laten glijden...."

"Ja," hernam Phil Evans. "Als het geval zich zou voordoen, zou ik geenszins aarzelen...."

"Ik ook niet," betuigde Uncle Prudent. "Maar, luister verder..."

"Tot uw dienst, master Prudent."

"Ik knoop aan die mededeeling vast, dat des nachts, be

halve de roerganger, die op het achterschip staat, niemand de wacht houdt. En toevallig ligt juist een der door mij bedoelde kabels vooruit. Mij dunkt, dat het niet onmogelijk zal zijn om dien, zonder gezien of gehoord te worden, buiten boord te brengen."

"Opperbest!" zeide Phil Evans. "Ik zie met genoegen, Uncle Prudent, dat gij kalmer zijt. Dat is noodig, om te kunnen handelen. Maar op dit oogenblik zweven wij boven de Kaspische zee. Talrijke vaartuigen zijn in het gezicht. De Albatros gaat dalen om te visschen.... Wellicht zouden wij van de gelegenheid kunnen gebruik maken om...."

"Maar, men bewaakt ons, zelfs wanneer wij meenen niet bespied te worden," antwoordde Uncle Prudent.

"Meent gij?"

"Dat hebt gij wel bespeurd, toen wij in de Hydaspes wilden springen, niet waar?"

"Ja, dat is waar," antwoordde Phil Evans. "En wie verzekert ons, dat wij ook niet des nachts bewaakt worden?"

"Om het even! Wij moeten er een eind aan maken!" riep Uncle Prudent uit. "En als het kan: een eind aan de Albatros! Maar vooral een eind aan haren gezagvoerder!"

Zooals men ziet, waren de beide gevangenen-vooral Uncle Prudent-in eene gemoedsstemming, die hen in staat zou kunnen stellen, om de meest roekelooze daden te verrichten, daden, die hunne eigene veiligheid zeer in gevaar zouden kunnen brengen.

Het gevoel hunner onmacht, de versmadende kleinachting, die op bespotting geleek, waarmede Robur hen behandelde, de brutale antwoorden, welke hij hun gaf, dat alles bracht het zijne bij om den toestand, die reeds gespannen was, met den dag ondragelijker te maken.

Dienzelfden dag zou een nieuw voorval het gevaar voor een zeer betreurenswaardigen twist tusschen Robur en zijne twee gevangenen nog vermeerderen. De arme Frycollin was er verre van om te gissen dat hij er de aanleidende oorzaak, de uittarter als het ware, van zoude wezen.

Toen deze zich boven de zee zonder grenzen zag, begon hij weer, als een echte lafaard, angst te gevoelen. Evenals een kind begon hij te grijnen, te janken, te protesteeren, te huilen, te schreeuwen en zich in duizend bochten te wringen, terwijl hij daarbij de afschuwelijkste gezichten trok.

"Ik wil weg!..." gilde hij. "Ik wil heengaan!... Ik ben geen vogel!... Ik ben niet gemaakt om te vliegen!... Ik wil dat men mij aan wal brenge!... En dat wel dadelijk!..."

Wij behoeven er niet bij te vertellen, dat Uncle Prudent hoegenaamd geene pogingen aanwendde, om den schreeuwer tot bedaren te brengen. Integendeel. Dat gehuil begon evenwel Robur zeer te vervelen.

Alvorens Tom Turner zich met zijne varensgezellen onledig zoude houden met de visscherij-benoodigdheden in gereedheid te brengen, gaf hij order, ten einde zich van Frycollin te ontdoen, dat deze in zijne roef zoude opgesloten worden. Maar daar ging de neger als een uitgelatene te werk; hij schopte en klopte tegen en op de omwandingen, en schreeuwde en gilde daarbij nog erger dan te voren.

Het was ongeveer middag.

De Albatros zweefde toen op een afstand van ongeveer vijf of zes meters boven de oppervlakte der zee. Eenige der daarop stevenende vaartuigen hadden verschrikt de vlucht genomen. Weldra was dit gedeelte van de Kaspische zee geheel verlaten.

Zooals men wel denken kan, waren de beide gevangenen in die omstandigheden, waarin zij slechts over boord hadden te springen om te kunnen vluchten, het voorwerp van een bijzonder toezicht. Al nam men zelfs aan, dat zij er in geslaagd zouden zijn kopje-onder te spelen, dan nog zouden zij door de sloep van de Albatros spoedig opgevischt zijn. Die sloep, van caoutchouc vervaardigd, was licht als een veer en vloog over het water.

Wat die vischvangst tot eene zeer overvloedige maakte, was een driehoekig zakvormig net. (Bladz. 126).

Dus gedurende die vischvangst kon aan geene ontvluchting gedacht worden. Toch wenschte Phil Evans haar bij te wonen, terwijl Uncle Prudent, in een voortdurenden toestand van woede en razernij, zich in zijne hut terugtrok.

Men weet, dat het bekken der Kaspische zee eene vulkanische depressie is van den bodem. In dat bekken wateren groote stroomen en rivieren uit, zooals: de Wolga, de Oeral, de Kour, de Roema, de Jemba en tal van anderen. Zonder de dagelijksche verdamping, die als het ware het te veel verslindt, zou die zee, welke eene oppervlakte van zeventienduizend vierkante mijlen heeft, bij eene gemiddelde diepte van tweehonderd-zeven-en-negentig voeten, de noordelijke en oostelijke oeverstreken, die laag en moerassig zijn, overstroomen. Hoewel dat bekken geene gemeenschap heeft met de Zwarte zee of met het meer Aral, welks waterpas verre boven dat der Kaspische zee verheven ligt, bezit deze laatste toch een grooten rijkdom aan visschen-van die soorten evenwel die gewoon zijn aan de bitterheid harer wateren, eene eigenschap, welke aan de naphta toegeschreven wordt, die haar uit verscheidene bronnen, in haar zuidelijk gedeelte gelegen, toevloeit.

Bij de gedachte aan de afwisseling, welke die vischvangst in het dagelijksch menu zoude brengen, kon de bemanning van het luchtschip haar genoegen niet bemantelen.

"Opgepast!" riep Tom Turner, die met vaste hand een grooten visch geharpoend had, die veel op een haai geleek.

Het was een prachtige steur van zeven voet lengte, van die soort, door de Russen Belonga genaamd, welks kuiteieren met zout, azijn en witten wijn gemengd, de kaviaar vormen. Misschien smaken de steuren, die in de rivieren gevangen worden, beter dan de zeesteuren; maar deze soort was toch zeer welkom aan boord van de Albatros.

Wat evenwel die vischvangst tot eene zeer overvloedige maakte, was een driehoekig zakvormig net, hetwelk door het luchtschip gesleept werd en waarin door elkander krioelden karpers, brasems, zalmen, zoutwatersnoeken, en vooral eene groote menigte sterletten van matige lengte, die de vermogende lekkerbekken levend van Astrakan naar Moskou en naar Sint Petersburg laten overbrengen. Deze, welke men thans gevangen had, zouden onmiddellijk van uit hun natuurlijk element zonder onkosten van vervoer in de ketels der kombuis van het luchtschip overgaan.

De bemanning der Albatros haalde met vreugde de netten in, nadat het luchtschip ze over de uitgestrektheid van eenige mijlen gesleept had. De Casconjer, Fran?ois Tapage, brulde als het ware van plezier en deed zijn naam wel eer aan. Die vischvangst, welke slechts een uur geduurd had, was voldoende om de wannen van het luchtschip behoorlijk te vullen. Daarna werd koers naar het noorden gezet.

Frycollin was gedurende dat oponthoud steeds voortgegaan met schreeuwen en met op de wanden zijner hut te kloppen en te trappen, in één woord: een onverdragelijk spektakel te maken.

"Zal die vervloekte neger dan niet zwijgen!" zei Robur, wien het geduld begon te ontbreken.

"Mij dunkt, mijnheer de ingenieur," meende Phil Evans, "dat hij recht heeft...."

"Welk recht heeft hij hier aan boord?" vroeg Robur driftig.

"Het recht om zich te beklagen."

"Ja, zooals ik het recht heb, om mijn ooren die marteling te besparen."

"Ingenieur Robur!..." zei Uncle Prudent, die op dit oogenblik op het dek verscheen.

"President van Weldon-Institute!"

Beiden traden op elkander toe. Beiden keken elkander vlak in de oogen.

Daarna zei Robur, terwijl hij de schouders optrok:

"Geef hem een eindje, Tom."

Torn Turner begreep die weinige woorden. Frycollin werd uit zijn hut gehaald.

Of de neger ook al schreeuwde, alsof hij geslacht werd, daaraan stoorde zich niemand. De manschappen van Tom Turner grepen hem en bonden hem in eene balie, eene soort tobbe, die zij aan het uiteinde van een kabel vastmaakten.

Dat was juist een dier kabels, waarvan de president Uncle Prudent, zooals men weet, gebruik had willen maken.

De neger dacht eerst, dat men hem wilde hangen, namelijk om den hals. Dat was minder juist. Wel werd hij gehangen, maar op eene andere wijze.

En inderdaad, de kabel werd ontrold en naar buiten over eene lengte van ongeveer honderd voeten gevierd, zoodat Frycollin in de ruimte zweefde.

Thans kon hij naar hartelust en zonder hinderlijk te zijn, schreeuwen zooveel hij wilde. Maar de angst schroefde hem de keel dicht en hij bleef stom als een visch.

Uncle Prudent en Phil Evans hadden zich tegen die handeling, of volgens hen mishandeling verzet, maar zij werden krachtdadig teruggedrongen.

"Dat is infaam!" zei Phil Evans.

"Dat is lafhartig!" gilde Uncle Prudent, die buiten zichzelven van woede was.

"Waarlijk?" vroeg Robur hoonend.

"Dat is misbruik van macht maken en daartegen zal ik op andere wijze protesteeren dan enkel met woorden."

"Protesteert! Wat kan mij dat schelen!"

"Ik zal mij wreken, ingenieur Robur!"

"Welnu, wreekt u, president van Weldon Institute!"

"Ik zal mij wreken op u en op al de uwen!"

De mannen van het personeel van de Albatros waren nader getreden en legden geene al te teerhartige neigingen aan den dag. Robur gebood hen evenwel met een gebaar, om zich te verwijderen.

"Ja, ik zal mij wreken!"

"Zooals gij wilt!"

"Op u en op al de uwen!" schreeuwde Uncle Prudent, dien zijn makker tevergeefs poogde te kalmeeren.

"Wanneer het u believen zal!" antwoordde de ingenieur.

"En met alle mogelijke middelen!"

"Zoo, zoo!"

"Ja, met alle mogelijke middelen."

"Genoeg!" zei Robur toen op dreigenden toon. "Genoeg! Er zijn nog andere kabels aan boord. Zwijgt nu, of de baas ondergaat dezelfde straf als de knecht!"

Uncle Prudent zweeg, niet uit vrees, maar hij stikte bijna van woede, en wel zoodanig, dat Phil Evans hem naar zijne hut moest geleiden.

Intusschen was sedert een uur het weder aanmerkelijk gewijzigd geworden. Er deden zich voorteekenen voor, waaromtrent zich niet te vergissen viel. Een onweder was op til. De electrische oververzadiging van den dampkring was tot zulk eene hoogte gestegen, dat Robur tegen twee uur getuige was van een natuurverschijnsel zooals hij vroeger nimmer waargenomen had.

In het noorden, van welken kant het onweder aankwam, stegen dampkrullen omhoog, die als het ware lichtgevend waren, hetgeen voorzeker veroorzaakt werd door het uiteenloopende van de electriciteits-spanning, die tusschen de verschillende wolkenlagen bestond.

De weerschijn van die lichtgevende wolkjes, deed op de zee duizenden en honderdduizenden schitterende vonkjes verschijnen, welker uitstralend vermogen des te scherper waargenomen kon worden, naarmate het uitspansel al donkerder en donkerder werd.

Het zou niet lang duren, of de Albatros zou het natuurverschijnsel ontmoeten, en dat des te spoediger, daar zij elkander te gemoet kwamen.

En wat gebeurde er intusschen met den neger Frycollin?

Frycollin werd steeds door de Albatros op sleeptouw gehouden. (Bladz. 129).

Welnu, Frycollin werd steeds door de Albatros op sleeptouw gehouden.

Ja, op sleeptouw gehouden, dat is het ware woord. Want de sleeptros of de kabel vormde door de snelheid van honderd kilometers, waarmede het luchtgevaarte zich toen bewoog, en waardoor de balie, waarin de neger zich bevond, achteraan kwam, een vrij stompen hoek met het gangboord der verschansing, waaraan de kabel vastgemaakt was.

Men kan over den angst en de ontzetting van den neger oordeelen, wanneer men verneemt dat de bliksemstralen rondom hem de luchtruimte doorkliefden en de donderslagen ratelden, alsof zij de onmetelijkheid der hemelen hadden willen doen splijten.

Het geheele personeel aan boord sloeg in de gegeven omstandigheden de handen aan het werk, hetzij om boven het onweder te stijgen, hetzij om het door dolsnelle vaart te midden der beneden-luchtlagen te ontvluchten.

De Albatros bevond zich toen op hare gemiddelde hoogte-zoo omstreeks op duizend meters boven de oppervlakte der zee, toen plotseling een bliksemstraal met verschrikkelijk geweld knetterde. De rafelbui verdubbelde in woede, en binnen weinige seconden stortten zich vurige wolken over het luchtschip uit.

Phil Evans kwam toen bij den ingenieur Robur, om een goed woord voor Frycollin te doen en droeg het verzoek voor, dat de arme drommel binnen boord gehaald zoude worden.

Maar Robur had die tusschenkomst niet afgewacht. Hij had zijne bevelen reeds gegeven en men was begonnen met het inpalmen van den tros, waaraan de neger bengelde, toen zich plotseling eene onverklaarbare vertraging in de omwentelingen der schijven van de opstijgende schroeven deed gevoelen.

Wat zou dat zijn?

Robur ijlde, ja vloog naar de centrale schroef.

"Volle kracht!.... Volle kracht!...." riep hij den machinist toe. "Volle kracht!.... Wij moeten zoo spoedig mogelijk boven de onweerswolk stijgen!"

"Onmogelijk, master!" zeide deze.

"Wat onmogelijk?"

"Ja, onmogelijk!"

"Wat is er dan?"

"De stroomingen zijn verstoord!...."

"Mijn God!"

"En er doen zich daarin tusschenpoozen voor!"

En inderdaad, de Albatros daalde merkbaar.

Zooals het wel eens gedurende onweders met den stroom door de telegraafdraden gebeurt, zoo geschiedde het ook thans op het luchtschip, namelijk de electrische stroom der accumulatoren werkte slechts zeer onvolkomen. Maar, wat slechts eene wederwaardigheid kan genoemd worden, wanneer het telegrammen of berichten geldt, was hier een schrikkelijk gevaar. Dat stond hier gelijk met een neerploffen in de zee, zonder dat er iets te doen was, om het gevaar te kunnen keeren.

"Laat naar beneden gaan!" riep Robur. "Laat naar beneden gaan, om buiten de werking der electrische zone te geraken! Kom, jongens, de handen uit de mouwen en koelbloedigheid!"

De ingenieur was op de gezagvoerders-brug gestegen.

De manschappen stonden op hunne posten, gereed om zijne bevelen uit te voeren.

Hoewel de Albatros reeds ettelijke honderd voeten gedaald was, zoo was zij toch nog door de onweêrswolk omgeven. Zij bevond zich te midden der bliksemstralen, die zich rondom haar kruisten als de schitterende vonken van een prachtig vuurwerk. Het was een verheven gezicht; toch wekte het een angstig gevoel op, want het gevaar was groot, om door den bliksem getroffen te worden.

Helaas, de schroeven vertraagden hare omwentelingen nog meer, en wat tot nu toe slechts op eene ietwat snelle nederdaling geleken had, dreigde thans een val te worden.

Om kort te gaan, het stond bij een ieder vast, dat het vaartuig binnen eene minuut de oppervlakte der zee zoude bereikt hebben. En eenmaal daarin neergeplompt, zou geene macht in staat zijn, het uit dien afgrond te voorschijn te halen.

Eensklaps verscheen de electrische wolk boven het gevaarte.

De Albatros was toen nog slechts op zestig voeten van den kam der golven verwijderd. Binnen een paar seconden zou zij ondergedompeld zijn.

Maar Robur, gebruik makende van het gunstige oogenblik, stormde naar de centraalroef, greep de hefboomen, die het werk in beweging moesten stellen, en gaf den vollen stroom, die niet meer door de electrische spanning van den omringenden dampkring geneutraliseerd werd, gelegenheid zich te ontwikkelen.... De schroeven hadden dadelijk hunne normale snelheid van omwenteling herkregen.... de Albatros hield op met vallen en was weldra, door hare voortstuwingsschroeven voortgezweept, en terwijl zij op geringe hoogte zwevende bleef, verre verwijderd van het onweder, dat zij voorbij gestevend was.

Het zal wel onnoodig zijn te verhalen, dat Frycollin gedurende die bedrijven een onvrijwillig bad-al was het ook maar gedurende weinige seconden-genomen had. Toen hij aan boord opgeheschen was, was hij kletsnat en wel dermate, alsof hij tot op den bodem der zee ondergedompeld was.

Het zal niet ongeloofelijk voorkomen, wanneer hier verhaald wordt, dat hij voortaan niet meer schreeuwde.

Daags daarna, den 4den Juli, had de Albatros de noordelijke grens van de Kaspische zee overschreden.

Free to Download MoboReader
(← Keyboard shortcut) Previous Contents (Keyboard shortcut →)
 Novels To Read Online Free

Scan the QR code to download MoboReader app.

Back to Top

shares