MoboReader> Literature > Robur de Veroveraar

   Chapter 9 No.9

Robur de Veroveraar By Jules Verne Characters: 31210

Updated: 2017-11-30 00:04


Waarin de Albatros ongeveer tienduizend kilometer aflegt en den tocht met een wonderbaarlijken sprong eindigt.

Uncle Prudent en zijn secretaris Phil Evans waren dus vast besloten om te vluchten.

Wanneer er geen gevaar bestaan had, met de acht zeer stevige kerels, die de bemanning van het luchtschip uitmaakten, te doen te krijgen, dan zouden zij voorzeker hun toevlucht tot geweld genomen hebben. Een moedig doortasten zou hen dan voor een oogenblik meester van het luchtschip gemaakt hebben; zij konden dan op het een of andere punt der Vereenigde Staten nederdalen. Maar.... met hun twee?n,-want Frycollin zou in zoo'n geval slechts als eene te veronachtzamen waarde te rekenen zijn-kon aan zoo'n ondernemen niet gedacht worden. Daar dus geweld niet gebezigd kon worden, zou list wellicht kunnen baten, namelijk wanneer de Albatros naar de aardoppervlakte afsteeg en ten anker kwam. Phil Evans poogde dit aan zijn kitteloorigen lotgenoot te doen begrijpen, van wien hij steeds vreesde, dat hij het een of ander zou ten uitvoer brengen, dat den toestand verergeren kon.

In allen geval was thans het oogenblik van handelen niet gekomen.

Het luchtschip stevende thans met volle snelheid boven den Noordelijken Stillen Oceaan. Den volgenden ochtend-16en Juni-ontwaarde men niets meer van de kust. En daar de Amerikaansche kuststrook inbuigt van het eiland Van Couver af tot aan de groep der Aleutische eilanden, of beter tot aan de landstreek, die vroeger tot Amerikaansch Rusland behoorde, maar in 1867 door dat rijk aan de Vereenigde Staten werd afgestaan, zou de Albatros, wanneer haar koers niet gewijzigd werd, die kuststrook waarschijnlijk bij hare uiterste ombuiging snijden.

Wat schenen de nachten lang te zijn voor de beide gevangenen. Zij haastten zich dan ook steeds, om hunne hut te verlaten. Toen zij dien morgen op het dek kwamen, was evenwel de dageraad reeds sedert eenige uren aan de oosterkim verschenen. Men naderde den zomerzonnestilstand, den langsten dag in het noordelijk halfrond, en onder den zestigsten breedtegraad, waaronder de Albatros zich bevond, werd het bijna geen nacht.

De ingenieur Robur haastte zich niet, volgens gewoonte, of wel met een zeker doel, om zijne hut te verlaten. Toen hij dien dag evenwel op dek kwam, vergenoegde hij zich zijne beide gasten te groeten, terwijl hij hen op het achterschip voorbijstapte.

Frycollin, met roode oogen veroorzaakt door de slapelooze nachten, welke hij doorgebracht had, met dommen blik en wankelenden gang, was er toe overgegaan, om zich buiten zijne hut te wagen. Hij liep als een man, die voelde dat het terrein onder zijne voeten niet stevig was. Zijn eerste blik was gericht op het opstuwingstoestel, dat met eene regelmatigheid werkte, welke gerustheid inboezemde, vooral omdat de vliegwielen niet te snel ronddraaiden.

Daarna ging de neger steeds met wankelenden tred naar de verschansing, greep het boord daarvan, om zijn evenwicht te herstellen. Blijkbaar wenschte hij een kijkje te werpen op de streek, waarboven de Albatros ter hoogte van ternauwernood tweehonderd meter zweefde.

Frycollin had veel moed moeten ontwikkelen om zoo'n poging te durven ondernemen. Ja, van hem werd daartoe eene zekere mate van stoutmoedigheid gevorderd. Eerst had de neger, bij de verschansing aangekomen, zijn lichaam achterover gebogen, daarna schudde hij haar, om hare stevigheid te beproeven. Toen richtte hij zich op, boog het lichaam voorover en bracht het hoofd buiten boord. Het zal wel onnoodig zijn daarbij te vertellen, dat hij bij al die bewegingen de oogen gesloten hield. Eindelijk opende hij ze.

Welk een gil stiet hij uit! En hoe stoof hij achteruit! En hoe trok hij het hoofd tusschen de schouders terug!

Daar onder, op den bodem van den afgrond, had hij den onmetelijken Oceaan bespeurd. Wanneer zijn haren niet gekroesd geweest waren, dan zouden zij rechtop op zijn hoofd verrezen zijn.

"De zee!... De zee!..." riep hij uit.

En Frycollin zou op het dek neergestort zijn, wanneer de kok hem niet in zijne armen had opgevangen.

Die kok was een Franschman, misschien wel een Gasconjer, hoewel hij Fran?ois Tapage heette, hetwelk in goed Hollandsch door Franciscus de Levenmaker kan vertaald worden. Maar al was hij geen Gasconjer, zoo had hij toch in zijne jeugd de briesjes, die over de Garonne waaien, moeten inademen. Hoe kwam die Fran?ois Tapage in dienst van den ingenieur Robur? Door welke opeenvolging van toevallen was hij onder de equipage van de Albatros geraakt? Dat wist niemand. In ieder geval sprak die oolijkerd de Engelsche taal als een Yankee.

"Nou, rechtop! zeg ik je!" riep hij, terwijl hij den neger met zijn knie een duw in de lendenen gaf.

"Master Tapage!...." riep de arme drommel, terwijl hij wanhopige blikken op de schroeven wierp.

"Wat is er, Frycollin?"

"Gaat dat wel eens kapot?"

"Neen, maar het zal toch eindigen moeten, met kapot te gaan."

"Waarom?...."

"Omdat alles op dit ondermaansche vroeg of laat kapot moet gaan."

"En de zee, die daar onder ons is!...."

"Welnu, als het kapot gaat, dan is het beter in zee te vallen."

"Ja, maar daar verdrinkt men in!...."

"Dat is zoo, maar . be . ter . te . ver . drin . ken, dan . te . plet . ter . te . val. len," antwoordde Fran?ois, die iedere lettergreep afzonderlijk uitsprak, alsof hij een hexameter scandeerde.

Een oogenblik later was Frycollin, kruipende als een slang, in zijn hut teruggekomen.

Den dag van den 16den Juni had het luchtschip slechts eene matige snelheid ontwikkeld. Het scheen over de oppervlakte van die zoo kalme zee, die als met zonlicht doortrokken was, en waarboven het zich nauwelijks honderd voeten verhief, te scheren.

Uncle Prudent en zijn lotgenoot waren op hunne beurt in hunne roef gebleven, om Robur niet te ontmoeten, die, hetzij alleen, hetzij in gezelschap van zijn eersten officier Tom Turner, met een sigaar in den mond, het dek op en neer wandelde. Slechts de helft der opstuwingsschroeven was in beweging en die waren voldoende om het luchtgevaarte in de lagere luchtlagen zwevende te houden.

Onder die omstandigheden zouden de opvarenden van de Albatros zich aan het vermaak der vischvangst hebben kunnen overgeven, waardoor zij eenige afwisseling in hun gewonen scheepskost hadden kunnen brengen, wanneer de wateren van den Stillen Oceaan namelijk vischrijk geweest waren. Maar aan zijne oppervlakte werden slechts eenige walvisschen bespeurd, van die soort met gelen buik, welke eene lengte van vijf en twintig meters bereiken. Dat zijn de vreeselijkste cetace?n, die in de Noordelijke zee?n aangetroffen worden. De ervaren walvischvaarders wachten zich wel die soort aan te vallen, want zij weten dat hunne kracht buitengewoon groot is. Evenwel zou zulk eene vischvangst, hetzij met den gewonen harpoen, hetzij met den Fichter-vuurpijl, hetzij met den speerboom, van welke vischtuigen men een voorraad aan boord van de Albatros had, zonder gevaar kunnen geschieden. Waarschijnlijk om aan de beide leden van Weldon-Institute te doen zien, waartoe zijn luchtschip in staat was, besloot Robur op een dier monsterachtige walvisschen jacht te maken.

Toen de kreet: "een walvisch!" weerklonk, kwamen Uncle Prudent en Phil Evans hunne hut uit. Wellicht was een walvischvaarder in het gezicht.... In dat geval waren zij in staat, om aan hunnen vliegenden kerker te ontsnappen, zich in zee te storten, waarbij zij op de kans rekenden, door eene sloep opgevischt te worden. Het geheele personeel der Albatros stond reeds op het dek gereed en wachtte.

"Wij gaan er dus op los, master Robur?" vroeg Tom Turner.

"Ja, Tom," antwoordde de ingenieur.

In de machinekamer stonden de machinist en zijne beide helpers op hun post, gereed om de bewegingen uit te voeren, die hen met gebaren zouden gegeven worden. Er was geen enkel schip in het gezicht,-daarvan konden de gevangenen zich overtuigen,-ook geen land, waarheen zij zouden kunnen zwemmen, altijd in de veronderstelling, dat Robur geene pogingen zou aanwenden om hen weer op te vatten.

De nabijheid van verschillende walvisschen werd aangekondigd door de waterstralen, die zij door hunne kieuwgaten hoog opspoten, wanneer zij aan de wateroppervlakte kwamen, om adem te halen.

Tom Turner, bijgestaan door een man van de equipage, had bij den voorsteven post gevat. Onder zijn bereik lag een speerboom, van Californisch maaksel, die met een vuurroer voortgeworpen werd. Hij bestond uit een metalen cylinder, aan welks einde een cilindervormige bom vast zat, die met een scherpe van weerhaken voorziene punt gewapend was.

Van de brug, waarop hij gestegen was, bestuurde Robur het gevaarte. Met de rechterhand gaf hij teekens aan de machinisten, met de linker aan den roerganger. Zij begrepen zijne wenken volkomen. Zoo was hij in staat het luchtschip iedere vereischte wending, zoowel horizontale als verticale, te laten volvoeren. Het was ongeloofelijk met welke snelheid en met welke nauwkeurigheid het gevaarte zijne bevelen gehoorzaamde. Men zou het hebben kunnen aanzien voor een bewerktuigd wezen, waarvan de ingenieur Robur de ziel was.

"Een walvisch!... Een walvisch!..." riep Tom Turner andermaal.

Inderdaad, de rug van zoo'n monster stak op vier kabellengten van den boeg van de Albatros boven het water uit. Het luchtschip stuurde er heen en, toen het op een afstand van ongeveer zestig voeten genaderd was, hield het stil. Tom Turner had zijn vuurroer, dat op een vork, in de verschansing vastgemaakt, steunde, tegen den schouder gebracht. Het schot ging af, en het projectiel, waaraan een lang touw vastzat, dat zich ontrolde en welks uiteinde aan het dek vastzat, trof het lichaam van den walvisch. De bom, die met eene ontplofbare stof gevuld was, sprong en dreef daarbij een kleinen tweearmigen harpoen voort, die diep in het dikke vleesch van het dier drong.

Alsof hij den trein op sleeptouw wilde nemen.(Bladz. 99).

"Opgepast!" riep Torn Turner.

Hoe kwaad gemutst Uncle Prudent en Phil Evans ook waren, zoo stelden zij toch belang in dit tafereel.

De zwaar gewonde walvisch gaf met zijn staart zoo'n slag op het zeeoppervlak, dat het water tot op het voorschip van de Albatros spatte. Daarna dook het dier op eene onmetelijke diepte, terwijl men het touw liet vieren, dat opgeschoten lag in eene balie of tobbe, welke met water gevuld was, opdat zij door de hevige wrijving geen vuur zou vatten. Toen de walvisch aan de oppervlakte weerkeerde, vluchtte hij met de meest mogelijke snelheid in noordelijke richting.

Men kan zich verbeelden, met welke snelheid de Albatros door het monster gesleept werd. De voortstuwingsschroeven stonden stil en men liet het dier zijn eigen gang gaan. Men zorgde alleen met den boeg in zijne richting te blijven. Tom Turner stond met eene bijl gereed om het touw door te kappen, wanneer de walvisch, door opnieuw te duiken, het luchtschip in gevaar kon brengen.

Gedurende een half uur, waarin ongeveer zes mijlen werden afgelegd, werd de Albatros zoo voortgesleept. Men gevoelde evenwel dat het dier vermoeid geraakte.

Toen lieten de machinisten, op een wenk van Robur, de schroeven achteruit slaan. De propellors begonnen eenigen tegenstand te stellen aan de vlucht van den walvisch, die het luchtschip langzamerhand nabij kwam. Weldra zweefde de Albatros op vijf en twintig voet boven het ondier. Met zijn staart zweepte het 't water met groot geweld. Door zich van den buik op den rug te wentelen, veroorzaakte het gevaarlijke kolken.

Plotseling dook het onder en wel met zulke snelheid, dat Tom Turner bijna geen tijd had om het ingepalmde touw te laten vieren. Het luchtschip werd met een ruk tot op de oppervlakte van het water gesleept. Een onmetelijke draaikolk had zich gevormd op de plek waar het dier verdwenen was. Eene zee sloeg aan boord, zooals wel eens gebeurt, wanneer een schip scherp bij den wind tegen den golfslag inloopt.

Gelukkig kapte Tom Turner met een slag het touw door, waardoor de Albatros, van dien sleeptros bevrijd, onder den krachtigen aandrang van hare opstuwingsschroeven, op tweehonderd meters boven de oppervlakte der zee steeg. Wat Robur betrof, die had het gevaarte bestuurd, zonder dat zijne koelbloedigheid hem ook maar ééne seconde begeven had. De walvisch kwam weinige minuten later boven, maar was dood. Van alle kanten schoten zeevogels toe, om zich op dien buit te werpen en stieten daarbij kreten uit om een geheel congres doof te doen worden.

Daar men niets wist aan te vangen met dat kreng, werd het aan de roofvogels overgelaten en hervatte de Albatros haren noord-westelijken koers.

Den volgenden morgen-17 Juni-doemde tegen zes uur eene kust aan den horizon op. Dat was het schiereiland Alaska en de lange rij van rotsblokken van verbrijzeld land, die de Aleutische eilanden vormden.

De Albatros wipte over die zeeafsluiting, waarachter de pelszeehonden verwijlen, waarop de bewoners der Aleutische eilanden voor rekening eener Russisch-Amerikaansche maatschappij vlijtig jacht maken. Die maatschappij doet daarbij goede zaken want die tweeslachtige dieren zijn zes of zeven voet lang, vertoonen eene fraaie bruine roestkleur en wegen van driehonderd tot vijfhonderd pond. Onafzienbare rijen van die robben worden daar aangetroffen, die zich daarbij in een breed front uitspreiden en soms meerdere duizenden tellen. Dat zij zich niet verontrustten bij den overgang van de Albatros, was geheel aan hunne kalme geaardheid toe te schrijven. Anders was het gesteld met de duikereenden, de kuifmeeuwen, de zilvermeeuwen, de eiderganzen, die hieven een schril geschreeuw aan, alsof zij in doodsgevaar verkeerden, en verdwenen ten spoedigste onder de wateroppervlakte, verschrikt als zij waren, door de verschijning van dat boven hen zwevende gevaarte.

De tweeduizend kilometers van de Behring-zee, gerekend van de eerste Aleutische eilanden af tot aan de uiterste punt van Kamschatka, werden in vier-en-twintig uren afgelegd. Voor Uncle Prudent en Phil Evans bood zich waarachtig geene te beste gelegenheid aan om te ontvluchten. Noch op de eenzame kusten van dien uithoek van Azi?, noch in de omstreken van de zee van Ochotsk kon eene ontvluchting kans van slagen aanbieden. Klaarblijkelijk naderde de Albatros de Japansche en Chineesche streken. Daar zouden de beide collega's misschien, hoewel het niet voorzichtig zoude zijn zich aan de genade of ongenade der Chineezen of Japanners over te geven, gelegenheid vinden en waren zij vast besloten die te benutten, wanneer het luchtschip op het een of ander punt van die beide rijken nederdaalde.

Maar zou de Albatros daar neerdalen en gemeenschap met de aardoppervlakte hebben? Het was met haar niet gesteld als met den vogel, die eindigt met vermoeid te geraken, of als met een ballon, die bij gebrek aan gas genoodzaakt is te dalen. Het luchtschip had nog voorraad voor vele weken en zijne organen waren zoo stevig, dat zij van geen zwakheid of van geen vermoeidheid last hadden.

Toen wipte de Albatros over het schiereiland Kamschatka, waarvan de nederzetting Petropaulowsk en de vulkaan Koutschew gedurende den dag van den 18den Juni ter nauwernood ontwaard werden. Toen een oversteek over de zee van Ochotsk ter hoogte van de Kurillische eilanden, die als eene afdamming vormen, die door eene menigte kleine kanalen doorsneden zoude zijn, en zoo bereikte het luchtschip in den morgen van den 19den Juni de zee?ngte La Perouse, die besloten is tusschen de noordelijke punt van Japan en het eiland Saghalien. In die zeestraat, die eenigszins met de Hoofden te vergelijken is, stort zich de Amoer, een der groote Siberische rivieren, uit.

Toen kwam er

een dikke mist op, dien het luchtschip beneden zich moest laten. Niet dat het door die neveldampen belet werd koers te zetten. Op die hoogte en die breedte, waarop het zich bevond, was geen hinderpaal te vreezen, geen hooge monumenten, waartegen het kon stooten, geen bergen, waartegen het gevaar liep zich te verbrijzelen. Het land was slechts weinig heuvelachtig. Maar toch waren die nevelen zeer onaangenaam, want alles was kletsnat aan boord. Er bleef niets anders over dan te stijgen tot boven die nevelbank, welker dikte van drie- tot vierhonderd meters bedroeg. De schroeven werden tot snellere omwenteling aangezet en weldra bevond de Albatros zich weer in eene heldere atmosfeer, waar de zon met helderen glans boven het luchtschip scheen, terwijl daaronder zich eene wolkenbank uitstrekte, die voor het oog ondoordringbaar was.

Uncle Prudent en Phil Evans zouden onder die omstandigheden hunne plannen tot ontsnapping moeielijk hebben kunnen ten uitvoer leggen, altijd in de veronderstelling, dat zij er in geslaagd zouden zijn, het luchtschip te verlaten.

Dien dag bleef Robur, toen hij hen bij zijne wandeling op het dek passeerde, een oogenblik staan en, zonder den schijn aan te nemen er bijzonder belang in te stellen, zeide hij:

"Mijne heeren, wanneer een zeil- of stoomschip allerwege door nevelen omgeven is, dan is het in zijne bewegingen zeer belemmerd en verkeert in nauwe zee?ngten met een druk scheepsverkeer in groot gevaar. Het kan niet voorbijstevenen dan met behulp van de stoomfluit of van den misthoorn. Het moet zijne vaart breidelen, en toch behoort, in weerwil van al die voorzorgsmaatregelen, eene aanvaring tot de mogelijkheden en is derhalve zeer te duchten. De Albatros heeft zoo iets niet te vreezen. Wat deert haar de mist? In een oogwenk is zij er uit. De ruimte, de geheele ruimte is haar domein!"

Na die woorden vervolgde Robur bedaard zijne wandeling, zonder een antwoord af te wachten, dat hij daarenboven niet wenschte uit te lokken en blies onverstoorbaar de tabakswolken zijner pijp uit, die zich in het azuur des hemels verloren.

"Uncle Prudent," zei Phil Evans, "het schijnt dat die bewonderenswaardige Albatros nimmer iets te vreezen heeft."

"Dat staat nog te bezien!" antwoordde de voorzitter van Weldon-Institute.

Die mist bleef gedurende drie dagen, den 19den, 20sten en 21sten Juni, met eene betreurenswaardige hardnekkigheid heerschen. Men had moeten stijgen om de Japansche bergen van Fouzi Zama te vermijden. Maar toen die nevelgordijn scheurde, ontwaarde men eene onmetelijke stad met hare paleizen, villas, chalets, tuinen en parken. Zelfs zonder haar te zien, zou Robur haar herkend hebben aan het geblaf van hare duizenden honden, aan het geschreeuw harer roofvogels, maar vooral aan de lijkenlucht, die door de lichamen der gevonnisden in den dampkring verspreid wordt.

De beide collega's waren op het dek, toen de ingenieur dat verkenningspunt waarnam en op zijn bestek uitzette, voor het geval hij genoodzaakt zoude zijn bij dergelijken mist zijn weg te vervolgen.

"Ik heb geen enkele reden, heeren," zeide hij, "om voor u verborgen te houden, dat die stad, welke gij daar ziet, Jedo, de hoofdplaats van Japan is."

Uncle Prudent antwoordde niet. Wanneer hij zich in de nabijheid van den ingenieur bevond, dan was het alsof hij stikte, alsof de lucht aan zijne longen ontbrak.

"Dat gezicht op Jedo," hernam Robur, "is inderdaad belangwekkend."

"Hoe belangwekkend ook...." begon Phil Evans.

"Haalt het niets bij dat van Peking," viel hem de ingenieur in de rede. "Waarlijk, dat is ook mijn oordeel en gij zult er weldra over kunnen oordeelen."

Het was onmogelijk om zich meer wellevend te toonen.

De Albatros, die zuid-oost voorlag, veranderde toen vier streken hare richting en stevende zuiver oost op. De mist trok gedurende den nacht geheel op. Er deden zich kenteekenen voor dat een typhon op handen was. De barometer daalde snel, de dampkring werd merkwaardig doorzichtig, groote ellipso?dale wolken vormden zich op een koperachtigen achtergrond, terwijl zich aan de tegenovergestelde zijde van het hemelgewelf lange karmijnstreepen vertoonden, die als op een leikleurigen achtergrond getrokken schenen. In het noorden vertoonde zich een breede sektor van het uitspansel helder en onberispelijk zuiver, daaronder de zee effen en kalm, hoewel hare wateren bij het ondergaan der zon eene sombere scharlaken, schier bloedkleur aannamen.

Gelukkig ontketende die typhon zich meer zuidelijk en had geen ander gevolg dan de dampen en nevelen, die sedert drie dagen de atmosfeer bezwangerd hadden, weg te vagen.

In een uur tijd had men de tweehonderd kilometers van de zee?ngte van Corea overschreden, waarna het oversteken van de uiterste punt van het schiereiland eene kleinigheid was. Terwijl de typhon boven de zuid-oostelijke kusten van China woedde, stevende de Albatros boven de Gele Zee en gedurende den 22sten en 23sten boven de Golf van Petchely. Den 24sten stevende het luchtschip de vallei van de Pei-Ho op en zweefde eindelijk boven de hoofdplaats van het Hemelsche Rijk.

Over de verschansing van het luchtschip gebogen, konden de beide gevangenen, zooals de ingenieur hun aangekondigd had, zeer duidelijk die onmetelijke stad bespeuren. Zij ontwaarden den muur, die haar in twee deelen splitst-de Mandchourysche en de Chineesche stad. Zij telden de twaalf voorsteden, die haar omgeven; zij zagen de breede boulevards, die als stralen zich naar een middenpunt richtten; zij bewonderden de tempels, welker gele en groene daken als met zonlicht gedrenkt waren; zij peilden de parken, die de woningen der mandarynen omgaven. Vervolgens verschenen te midden der Mandchourysche stad de zes honderd acht en zestig hectaren oppervlakte van de Gele stad, met hare pagoden, hare keizerlijke tuinen, hare kunstmatige meren, haren berg van houtskool, die de geheele hoofdplaats beheerscht. En eindelijk ontwaarden de luchtreizigers in het centrum van de Gele stad als een vierkant van Chineesche notenkrakers, besloten in een ander, de Roode stad, d. w. z. het Keizerlijk paleis met al de grilligheid van zijne onmogelijke of beter van zijne onwaarschijnlijke bouworde.

Onder de Albatros weerklonk in dit oogenblik een zonderling geluid. Men zou gemeend hebben, een concert van Eolische harpen te hooren. In de lucht zweefden honderden vliegers van verschillenden vorm, vervaardigd van palmbladeren, van pandanus-bladeren, die aan hun bovenste gedeelte voorzien waren van een soort boog van licht hout, die onderspannen was door een dunnen reep bamboe. Onder den adem des winds weerklonken al die reepen in een verschillenden toon als die van een harmonica, en lieten een welluidend gemurmel vernemen van een inderdaad weemoedig effect. Het was alsof men in dit midden muzikale zuurstof inademde.

Robur gaf toen gevolg aan een gril, namelijk om dat luchtorkest te willen naderen, en langzamerhand dompelde de Albatros als het ware in de harmonische luchtgolvingen, welke door de Chineesche vliegers opgewekt werden.

Maar dadelijk veroorzaakte die nadering een buitengewoon effect op de ontelbare bevolking van die streken. Er werd vreeselijk op de tam-tams, op de gongs en op andere muziekinstrumenten van het Chineesche orkest geslagen. Duizenden geweerschoten werden gelost, honderden bommen werden geworpen, in één woord: alles werd in het werk gesteld om het luchtschip te noodzaken zich te verwijderen. Al hadden de Chineesche sterrenkundigen ook al eene verklaring voor de verschijning van het luchtgevaarte op hun eigen hand, zoo geloofde de groote menigte toch aan het optreden van een apocalyptisch monster, dat van uit den Boudha-hemel verschenen was.

Aan boord van de Albatros nam men weinig notitie van dat spectakel. Men gevoelde zich volkomen veilig. Maar de touwen der vliegers werden doorgesneden of haastig ingepalmd, en die lichte speeltuigen verdwenen uit de lucht, alsof zij weggetooverd waren, terwijl zij als een stervende vogel nog een laatsten kreet lieten weerklinken.

Toen stiet de trompet van Tom Turner eene machtige fanfare uit, die zich over de Chineesche hoofdstad uitstortte en de laatste harmonische tonen der vliegers deed verstommen. Maar daarom werd het schieten niet gestaakt. Daarmede gingen de Chineezen volijverig voort. Eindelijk sprong eene bom op een twintig voeten boven het dek van de Albatros, zoodat Robur het toch raadzaam begon te achten, hoogere luchtlagen, waar hij onbereikbaar zoude zijn, te gaan opzoeken.

Wat viel er gedurende de weinige dagen, die nu volgden, voor? Geen enkele gebeurtenis deed zich voor, waarvan de gevangenen gebruik hadden kunnen maken om te ontsnappen. Welke richting volgde het luchtschip? Steeds stevende het om de zuidwest, hetgeen op het voornemen duidde, Hindostan te willen naderen. Het was zichtbaar daarenboven, dat de bodem, die voortdurend rees, de Albatros noodzaakte evenwijdig die oneffenheden te volgen. Ongeveer tien uren nadat men Peking verlaten had, hadden Uncle Prudent en Phil Evans een kijkje gehad op een gedeelte van den Grooten Muur op de grenzen van Chew-Si. Daarna passeerde het luchtschip, na het Loung-gebergte vermeden te hebben, de vallei Wang-Ho en verliet het Chineesche rijk, om boven Thibet te stevenen.

Thibet vormt eene hoogvlakte zonder plantenbedekking. Hier en daar verheffen zich met sneeuw overdekte toppen, elders worden woeste uitgedroogde ravijnen ontwaard, terwijl er wilde bergstroomen worden aangetroffen, die door de gletschers en ijsvelden gevoed worden. In de laaglanden bevinden zich uitgestrekte vlakten, met een laag zout overdekt, en meeren, die in groene wouden als in eene lijst gevat schijnen. Maar over dat alles heerscht veelal een ijzige wind.

De barometer, die tot 450 millimeters teruggegaan was, duidde aan dat de Albatros zich op eene hoogte van vierduizend meters boven de oppervlakte der zee bevond. Op die hoogte rees de kwikthermometer, hoewel men in de warmste maanden van het noordelijk halfrond was, niet boven nul. Die afkoeling, gepaard aan de snelle vaart van de Albatros, bracht er niet toe bij om den toestand dragelijk te maken. Hoewel de beide gevangenen ruimschoots van warme reisdekens voorzien waren, verkozen zij toch binnen hun roef beschutting op te zoeken.

Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat aan de opstijgende drijfwielen eene buitengewone snelheid verleend was, om het vaartuig in de reeds zoo ijle luchtlagen zwevende te houden. Maar die schroeven werkten volmaakt eendrachtig, en het was dan ook, alsof men door de trilling harer vleugelen gewiegd werd.

Dien dag zou men te Garlok, eene stad in westelijk Thibet gelegen en hoofdplaats van de provincie Guari-Khorsow, de Albatros hebben kunnen zien voortzweven, terwijl het vaartuig zich niet grooter vertoonde dan eene reisduif.

Den 27sten Juni bespeurden Uncle Prudent en Phil Evans als een onmetelijken slagboom, die door eenige toppen beheerscht werd, welke met eeuwigdurende sneeuw overdekt waren. Die slagboom sloot den gezichteinder als het ware af.

De beide gevangenen stonden stevig geleund tegen de roef, om weerstand te kunnen bieden aan den luchtstroom, veroorzaakt door de snelheid der verplaatsing, en bekeken die kolossale massa's, die het luchtschip schenen tegemoet te ijlen.

"Dat is voorzeker het Himalaya-gebergte," zei Phil Evans, "en waarschijnlijk zal Robur het noordelijk grondvlak daarvan langs stevenen, zonder te beproeven in Engelsch-Indi? te dringen."

"Dat zou des te erger zijn," antwoordde Uncle Prudent; "want op dat onmetelijk grondgebied zouden wij...."

"Tenzij hij de keten omstevent door Birmani? ten oosten, of door de Nepaul-landen ten westen."

"In ieder geval, ik wed dat hij er niet over heen durft!"

"Zoo, waarlijk!" sprak eene stem.

Den volgenden dag, den 28sten Juni bevond de Albatros zich in de provincie Zzang, vlak tegenover de reusachtige bergmassa. Aan den anderen kant van het Himalaya-gebergte lagen de Nepaulstreken.

Drie bergketenen sluiten inderdaad den weg naar Indi? af, althans wanneer men van het noorden komt. De twee eersten, waartusschen de Albatros als een vaartuig tusschen onmetelijke klippen gegleden was, zijn als het ware de eerste trappen van den slagboom van Centraal Azi?. De eerste die Kowen-Lown heet en de tweede Karakoroum, vormen het lengte- en paralleldal van het Himalaya-gebergte. Dit dal vormt in zijn bovengedeelte de grens van de waterbekkens van den Indus in het westen en van de Brahmapoetra in het oosten.

Gelukkig kapte Tom Turner met één slag het touw door. (Bladz. 106).

Welk prachtig bergstelsel! Meer dan tweehonderd toppen van die bergmassa zijn reeds gemeten en zeventien daarvan rijzen hooger dan vijf-en-twintigduizend voeten! Vlak vóór de Albatros verhief zich de Everest-berg op achtduizend-achthonderd meters. Rechts lag de Dwalaghiri, ter hoogte van achtduizend-tweehonderd meters. Links de Kinchanjunga, ter hoogte van achtduizend-vijfhonderd-twee-en-negentig meters. Deze laatste is naar den tweeden rang verdrongen, sedert de laatste metingen van den Everest.

Klaarblijkelijk scheen Robur weinig genegen, met den top dier reuzen in aanraking te komen; maar ongetwijfeld was hij bekend met de verschillende bergengten van de Himalaya, onder anderen met die van Ibi-Gamin, welke de gebroeders Slagintweit in 1856 op eene hoogte van zesduizend-achthonderd meter doorworsteld hebben. Hij stevende er stoutmoedig in.

Er werden daar ettelijke moeielijke, ja pijnlijke uren doorgebracht. Toch, hoewel het buitengewoon koud was, werd de lucht niet zoo ijl, dat men zijne toevlucht moest nemen tot de daarvoor bestemde toestellen om de zuurstof in de roeven en hutten te vernieuwen.

Robur stond op de voorplecht en had zijn mannelijk gelaat bedekt met de kap van zijn mantel. Vandaar gaf hij zijne bevelen tot besturing van het luchtschip. Tom Turner had het stuurrad ter hand genomen. De machinist wijdde zijne volle aandacht aan zijne batterijen, wier zuren gelukkig niets van bevriezen te duchten hadden. De schroeven, waaraan de grootst mogelijke snelheid van omwenteling verleend was, trilden met scherpe geluiden, wier intensiteit, in weerwil van de mindere dichtheid der lucht, buitengewoon groot was. De barometer daalde tot 290 millimeters, hetgeen eene hoogte van zevenduizend meters aanduidde.

Die chaos van bergen leverde een prachtig uitzicht op. Overal vertoonden zich sneeuwwitte toppen. Geene meren werden ontwaard, maar wel ijsvelden, die tot op tienduizend voeten van het grondvlak afdaalden. Geen grassprietje was te bespeuren, maar wel ettelijke zeldzame phanegoramen, die nog op de grenzen van het plantenleven voorkwamen. Geen van die bewonderenswaardige pijnboomen of ceders, die zich in prachtige bosschen op de benedenhellingen van de meeste bergstelsels groepeeren. Geen van die reusachtige heideplanten, geen van die eindelooze slingerplanten, echte parasieten, die van den eenen stam tot den anderen gespannen zijn, zooals in de bosschen van het laagland. Geen enkel dier; noch wilde paarden, noch yaks, noch Thibetsche runderen. Een enkelen keer verscheen er een verdwaalde gazel op die hoogten. Geen enkele vogel, tenzij eenige paren kouwen, die er niet tegen opzien tot bij de laatste inadembare luchtlagen op te stijgen.

Toen die bergengte eindelijk doorgestevend was, begon de Albatros weer te dalen. Bij het uitkomen van den bergpas buiten den woudgordel, zagen de reizigers slechts een onmetelijke vlakte, die zich over een overgrooten sector uitstrekte.

Robur trad toen op zijne gedwongen gasten toe, en zei met eene vriendelijke stem:

"Indi?, heeren!"

Free to Download MoboReader
(← Keyboard shortcut) Previous Contents (Keyboard shortcut →)
 Novels To Read Online Free

Scan the QR code to download MoboReader app.

Back to Top

shares