MoboReader> Literature > Robur de Veroveraar

   Chapter 5 No.5

Robur de Veroveraar By Jules Verne Characters: 25313

Updated: 2017-11-30 00:04


Waarin een schorsing van vijandelijkheden tusschen den voorzitter en den secretaris van Weldon-Institute ingewilligd wordt.

Het was een rare toestand, waarin Uncle Prudent, Phil Evans en de knecht Frycollin zich bevonden.

Zij hadden een band voor de oogen, en een prop in den mond. Vandaar dus eene totale onmogelijkheid, om te kunnen zien, om te kunnen hooren.

Hunne handen en voeten waren met stevige touwen gebonden. Vandaar dus eene totale onmogelijkheid, om van de plaats te kunnen komen of zichzelven te kunnen bevrijden.

Dat alles was niet geschikt om den toestand van ons drietal prettig of zelfs maar dragelijk te maken.

Daarenboven niet te weten, welke de uitvoerders van zoo'n oplichting waren; onbekend te zijn met de plaats, waarin zij gesmeten waren, alsof het ijlgoed in een goederenwagen van een sneltrein ware; geen denkbeeld te hebben noch van de plek op Gods lieve aarde, waar zij zich bevonden, noch van het lot, hetwelk hen beschoren kon zijn; dat alles was wel geschikt om zelfs wezens, tot het schapengeslacht behoorende, buiten hun humeur te brengen. En de lezers weten dat de leden van Weldon-Institute, wat het geduld betreft, nu niet precies voor schapen konden doorgaan.

Als men de heftigheid van karakter van Uncle Prudent in aanmerking neemt, dan valt licht te beseffen, wat er in diens ziel moest omgaan.

Maar wat er ook van aan zij, zooveel is zeker, dat hij en Phil Evans tot de overtuiging kwamen dat het moeielijk zou zijn, om den volgenden avond op de vergadering van de club tegenwoordig te zijn.

Wat Frycollin betrof, die lag daar met gesloten oogen en met gesloten mond. Het was hem onmogelijk zijne bovendien reeds zoo schrale gedachten op iets te vestigen. Hij was eer dood dan levend.

De toestand der gevangenen onderging gedurende het eerste uur van hunne inhechtenisneming geene wijziging. Niemand kwam hen opzoeken en niemand kwam hun het gebruik van hunne armen, oogen en mond weergeven. Toch snakten zij daar zeer naar.

Alles, waartoe zij zich bepalen konden, was het slaken van zuchten, het kreunen van een erbarmelijk "helaas!" voor zooveel de prop in hun mond zulks toeliet, of het volvoeren van sprongen, niet ongelijk aan jammerlijke karpers, die op het droge liggen te gapen. De lezer zal begrijpen, hoeveel innerlijke, of beter: gebonden toorn en woede daar opgevreten werd. Eindelijk, na eene reeks van vruchtelooze pogingen, om zich te bevrijden, bleven zij als machteloos liggen. Maar toen poogden zij, daar het zintuig van het gezicht hun ontnomen was, door het gehoor te vernemen of te raden, in welken onrustbarenden toestand zij zich bevonden. Ook dat was geheel en al vergeefs, want zij vernamen geen ander geluid dan het eindeloos en onverklaarbaar "frrr", dat hen als met een trillenden dampkring omgaf.

Evenwel gebeurde het, dat de secretaris Phil Evans, die niet zoo heet gebakerd was als Uncle Prudent, en derhalve met meer kalmte te werk ging, er in slaagde het koord, dat zijn polsgewrichten samenbond, los te maken. Eindelijk knelde de knoop niet meer zoo sterk, zijne vingers gleden over elkander en weldra had hij het gebruik zijner handen herkregen.

Hij wreef zich de gewrichten met kracht, ten einde den bloedsomloop te herstellen, die door dat binden gestremd geweest was. Een oogenblik later had de secretaris Phil Evans den band afgerukt, die hem blinddoekte, den prop uitgehaald, die hem den mond snoerde, en met behulp van het scherpe lemmet van zijn bowie-knife de touwen doorgesneden, die hem handen en voeten gekneveld hadden. Een echte Amerikaan verlaat zijne woning niet, zonder zijn bowie-knife op zak; zonder dit zou hij geen Amerikaan genoemd kunnen worden.

Maar al kon de secretaris Phil Evans zich nu ook bewegen en spreken, dan was dat toch alles, wat hij met zijne pogingen verworven had. Van zijne oogen kon hij in dit oogenblik ten minste geen nuttig gebruik maken; want het was pikdonker in de cel of het hok, waarin zij zich bevonden. Toch sijpelde als het ware een zwakke lichtstraal door een soort schietgat, hetwelk in den wand op eene hoogte van ongeveer zes of zeven voet boven hen aangebracht was.

In weerwil van den plaats gehad hebbenden twist, aarzelde de secretaris Phil Evans geen enkel oogenblik, om zijn mededinger te verlossen. Eenige bewegingen met zijn bowie-knife waren voldoende, om de touwen door te snijden, die de handen en voeten van Uncle Prudent knevelden. Onze voorzitter richtte zich, half razend van woede, op de knie?n overeind en rukte den doek van zijne oogen en den prop uit zijn mond.

Daarop zei hij met eene stem, alsof hij op het punt was van te stikken:

"Dankje!"

"Neen, dat niet."

"Wat niet?"

"Je behoeft mij niet te bedanken."

"Phil Evans?...."

"Uncle Prudent?...."

"Hier bestaat geen voorzitter meer van Weldon-Institute!"

"En geen secretaris meer van de club!"

"Dus geen mededingers meer!"

"Juist gezien!"

"Gij hebt gelijk." ging Phil Evans voort.

"Ik heb altijd gelijk!" bevestigde Uncle Prudent.

"Er zijn hier slechts twee mannen aanwezig, die zich wreken willen en wreken zullen...."

"Op wien?"

"Op een derde, wiens aanslag weergaloos te noemen is!"

"Ja, weergaloos en die de strengste weerwraak eischt."

"En die derde is?...."

"Dat is Robur!...."

"Ja, dat is Robur!...."

Dat was dus een punt, waaromtrent de gewezen mededingers het eens waren. Hierover was geen twist te vreezen.

"En uw knecht," merkte de secretaris op, terwijl hij op den neger Frycollin wees, die als een bruinvisch blies, "moeten wij hem ook losmaken?"

"Nog niet," antwoordde Uncle Prudent.

"Waarom nog niet?" vroeg Phil Evans.

"Omdat de kerel ons meer dan half dol zou maken met zijne klaagliederen."

"Dat's juist."

"En wij hebben wel wat anders te doen, dan naar klaagliederen te luisteren."

"Wat dan, Uncle Prudent?"

"Vraagt gij dat nog, Phil Evans?"

"Het schijnt zoo."

"Wel, wij moeten er aan denken, om te ontvluchten, als het mogelijk is."

"Dat's waar ook! En wij moeten ontvluchten, zelfs wanneer het onmogelijk is!"

"Gij hebt gelijk, Phil Evans. Zelfs wanneer het onmogelijk is!"

Overigens twijfelden zij er geen oogenblik aan, dat die oplichting van hunne personen door dien vreemdsoortigen kerel, die zich Robur noemde, gepleegd was. Iets anders kwam hun niet in het brein op, kon er ook niet in opkomen. Eenvoudige en eerlijke dieven zouden hen van hunne uurwerken, hunne juweelen, hunne portefeuilles en hunne porte-monnaies ontlast en hunne lijken, na een flinken dolksteek in de keel, in de diepte van de Schuylkill-rivier geworpen hebben, in stede van hen zonder poging tot stelen levend op te sluiten in.... Ja, waarin?....

Dat was inderdaad een belangrijk vraagstuk, dat noodzakelijk opgelost moest worden.

Ja, waarin zaten zij opgesloten? Dat moesten zij weten, alvorens zij eene poging tot ontsnapping, met eenige hoop op welslagen, konden ondernemen.

"Phil Evans," hernam Uncle Prudent, "in stede van bij het verlaten der vergadering zulke zoete bitterheden of bittere zoetigheden te wisselen, zooals wij gedaan hebben en waarop dus niet meer teruggekomen kan worden, hadden wij beter gedaan van minder vertoornd te zijn en beter rondom ons te kijken...."

"Dat's waar, Uncle Prudent, zeer waar!" antwoordde de secretaris Phil Evans.

"Wanneer wij in de straten van Philadelphia gebleven waren," ging de voorzitter voort, "dan zou van dat alles niets gebeurd zijn. Dunkt u dat ook niet!"

"Zeer waar," herhaalde de secretaris Phil Evans, "zeer waar, Uncle Prudent!"

"Klaarblijkelijk heeft die Robur met veel snuggerheid gegist, wat er in de club gebeuren zou. Hij heeft voorzien, tot welken toorn en welke woede zijne tartende houding en gesprekken aanleiding zouden geven...."

"Zeer waar, Uncle Prudent, zeer waar!"

"Waarschijnlijk stonden eenige zijner bandieten bij de deur op post, om hem, als de nood aan den man kwam, te hulp te schieten. Zoo dunkt mij ten minste...."

"Mij ook," betuigde Phil Evans goedkeurend knikkend.

"Toen wij de Walnutstreet verlieten, hebben die bandieten ons gevolgd en bespied...."

"Zeer waar, Uncle Prudent, zeer waar!"

"En toen zij zagen, dat wij zoo onvoorzichtig de donkere lanen insloegen van het eenzame Fairmont-Park, toen was de zaak klaar en de volvoering van den aanslag gemakkelijk gemaakt."

"Waar, zeer waar, Uncle Prudent," herhaalde de secretaris Phil Evans. "Ja, wij hebben zeker groot ongelijk gehad, dat wij na de zitting niet dadelijk naar huis zijn gegaan. Groot ongelijk!"

"Men heeft altijd ongelijk, wanneer men geen gelijk heeft," betuigde Uncle Prudent heel snedig.

"Inderdaad!" beaamde de secretaris.

In dit oogenblik weerklonk een lange zucht in het donkerste gedeelte van de cel, waarin zij opgesloten waren.

"Wat is dat?" vroeg Phil Evans.

"Wat?"

"Hoordet gij dien zucht niet?"

"Och loop.... dat's Frycollin, die droomt."

"Meent ge?"

"Ik ben er zeker van," antwoordde Uncle Prudent.

Daarna hernam hij:

"Tusschen het oogenblik, waarin wij op weinige passen van de open plek in het park gegrepen zijn geworden, en dat, waarin wij in dit hok gesmeten zijn, zijn hoogstens twee minuten verloopen...."

"Ja, hoogstens!" beaamde Phil Evans.

"Het is dan buiten kijf, dat die lieden ons niet buiten het Fairmont-Park gebracht hebben. Zijt gij dat niet met mij eens, Phil Evans?"

"Voorzeker, Uncle Prudent; want volgens mij, wanneer zij ons buiten het Park gebracht hadden; dan zouden wij de beweging van het vervoer moeten ontwaard hebben."

"Zeer juist!" antwoordde Uncle Prudent. "Het is dus aan geen twijfel onderhevig, dat wij in een compartiment van een voertuig opgesloten zitten; misschien wel in een van die lange karren, in de Prairi?n in gebruik, of in een wagen van heidenen of kermispotsenmakers."

"Dat gevoelen deel ik geheel en al," zei Phil Evans. "Wanneer wij toch aan boord van een vaartuig gebracht waren, dat aan een der oevers van de Schuylkill-rivier vastgemeerd gelegen had, zouden wij dat door de schommelingen van de schuit bemerkt hebben bij het aan boord brengen, ook door die, veroorzaakt door den snellen stroom der rivier."

"Juist, steeds zeer juist!" herhaalde Uncle Prudent. "Daaruit maak ik twee stellingen op. De eerste is, dat wij de open plek van Fairmont-Park nog niet verlaten hebben. En de tweede daaruit afgeleide is, dat het nu of nooit het oogenblik is om te vluchten."

"En Robur dan?"

"O, die zullen wij later wel terugvinden! Wees gerust. Dat neem ik op mij!"

"Ja, hem weervinden, om hem betaald te zetten...."

"Dubbel betaald te zetten, Phil Evans. Gij weet het heilig woord: Die zaait zal dubbel maaien!"

"Om hem duur betaald te zetten dien aanslag, dien hij zich op de vrijheid van twee burgers van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika veroorloofd heeft!"

"Juist.... duur.... zeer duur betaald zetten!"

"Maar,.... wie is die man?"

"Dat weet ik niet, Uncle Prudent."

"Vanwaar komt hij?"

"Dat weet ik ook niet."

"Is het een Engelschman, een Duitscher, een Franschman, een...."

"Dat weet ik evenmin," viel Phil Evans den voorzitter in de rede. "Maar wat ik weet...."

"Welnu, wat weet gij?"

"Dat het een ellendeling is! En dat is genoeg, dunkt mij."

"Mij ook."

"En nu aan het werk!"

"Aan het werk!"

Beiden staken nu de handen met uit elkander gespreide vingers voor zich uit en betastten de omwanding van het hok, waarin zij opgesloten waren, om een naad of een voeg te ontdekken. Maar niets, niets. Ook niet bij de deur. Die sloot volkomen hermetisch en het zou onmogelijk geacht moeten worden het slot te doen springen. Zij moesten dus een gat maken om daardoor te ontsnappen.

Het was nu evenwel zaak om te onderzoeken, of hunne bowie-knifes die omwanding zouden kunnen aantasten, of de lemmeten bij dat werk niet geschaard zouden worden of wel zouden breken.

"Maar waar vandaan zou die trilling toch komen, die geen oogenblik ophoudt?" vroeg Phil Evans, die verbaasd was over dat onafgebroken "frrr, frrr".

"Dat is ongetwijfeld de wind," antwoordde Uncle Prudent.

"De wind?.... Maar ik dacht, dat tot middernacht volkomen stilte in de atmosfeer geheerscht had?"

"Volkomen juist, Phil Evans; maar als het de wind niet is, wat zou het volgens u dan kunnen zijn?"

Phil Evans antwoordde niet, maar opende het beste lemmet van zijn bowie-knife en poogde de omwanding in de nabijheid van de deur aan te tasten. Misschien was het voldoende een klein gat te maken, om de deur te kunnen openen, wanneer die door een eenvoudigen grendel gesloten was, of dat men aan de buitenzijde den sleutel in het slot had laten steken.

Na eenige

minuten hard gearbeid te hebben, had de secretaris van Weldon-Institute geen ander resultaat verkregen, dan dat al de lemmeten van zijn bowie-knife zoodanig geschaard waren, dat zij veel geleken op eene duizendtandige zaag, en dat de punten er van gebroken waren.

"Slaagt gij?" vroeg Uncle Prudent.

"Neen!"

"Zou de omwanding van deze cel ook van plaatijzer vervaardigd kunnen zijn?"

"Neen, Uncle Prudent. Wanneer men op die omwanding klopt, dan geeft zij geen metaalklank."

"Dan is zij van ijzerhout vervaardigd misschien?"

"Ook niet. Zij is noch van ijzer noch van hout."

"Maar waaruit bestaat zij dan?"

"Dat kan ik niet zeggen. Maar in elk geval uit eene stof of substantie, waarop het scherpste staal geen vat heeft."

Uncle Prudent kreeg een aanval van hevige woede. Hij vloekte en stampte met den voet op den holklinkenden vloer, terwijl hij met beide handen het gebaar maakte, alsof hij een denkbeeldigen Robur worgde.

"Kalmte, Uncle Prudent!" vermaande de secretaris Phil Evans. "Kalmte en probeer gij op uwe beurt ook eens."

Uncle Prudent ging aan den gang; maar zijn bowie-knife kon de omwanding evenmin ergens aanraken. Het lukte hem zelfs niet met zijn beste lemmet een kras er op te maken. Het was waarlijk, alsof die omwanding van bergkristal was.

Dus iedere vlucht werd daardoor onmogelijk, hierbij van de veronderstelling uitgaande, dat zij uitvoerbaar ware, wanneer zij er in geslaagd waren de deur te openen, of een gat in de omwanding te maken.

Zij moesten zich, althans voor het oogenblik, aan hun noodlot onderwerpen, hetgeen met hunne Yankee-geaardheid volstrekt niet overeenkwam. Zij moesten alles aan het toeval overlaten, iets wat iederen practischen man tegen de borst stuit. Maar die onderwerping, die gelatenheid geschiedde niet zonder pruttelen, zonder groote woorden, zonder heftige uitingen, aan het adres van dien Robur gericht, die de man er niet naar was, om zich daarvan veel aan te trekken, wanneer hij althans in het gewone dagelijksche leven dezelfde geaardheid aan den dag legde, waarvan hij te midden van de vergaderde leden van Weldon-Institute had doen blijken.

Frycollin begon intusschen zulke teekenen van onpasselijkheid te geven, dat omtrent hare beteekenis geen twijfel bestond. Hij boog en krimpte zoo pijnlijk mogelijk, alsof hij aan maagkrampen of wel aan zenuwtrekkingen in alle lichaamsdeelen leed.

Uncle Prudent meende, dat het tijd was, om aan die acrobatische bewegingen een einde te maken; althans hij sneed de touwen door, die de handen en voeten van den neger knevelden.

Een oogenblik later stond de secretaris op de schouders van Frycollin. (Bladz. 61)

Wie weet, of hij er geen berouw over gevoelen zou? Want al dadelijk barstte eene eindelooze reeks van klaagliederen los, waarbij kreten van pijn zich afwisselden met gekerm van honger.

Frycollin was niet alleen in het brein, maar ook in de maag aangetast. Het zou zeer moeielijk geweest zijn, uit te maken, aan welke dier beide lichaamsdeelen het akelige gevoel moest toegeschreven worden, hetwelk de arme neger beving.

"Frycollin!" riep Uncle Prudent.

"Master Uncle!... Master Uncle!..." antwoordde de bediende tusschen twee akelige jammerkreten.

"Het is mogelijk, dat wij veroordeeld zijn, om in deze gevangenis van honger te sterven..."

De neger rilde van angst over zijn geheele lichaam, van het hoofd tot de voeten.

"Maar," ging Uncle Prudent met indrukwekkende stem voort, "wij zijn vast besloten, om tot het uiterste vol te houden en om niet het onderspit te delven, dan wanneer wij alle aanwezige voedingsmiddelen zullen verorberd hebben, die geschikt zullen bevonden worden, om ons bestaan te rekken..."

"Gij wilt mij opeten?" riep Frycollin ten uiterste ontsteld en handenwringend uit.

"Zooals men steeds met een neger in dergelijke omstandigheden doet!...."

"Master Uncle!... Master Uncle!"

"Zorg er dan voor, dat wij je vergeten, dat wij je niet gewaar worden, Frycollin!"

"Anders zullen wij je fricasseeren!" voegde de secretaris Phil Evans er bij.

"Master Uncle!... Master Uncle!"

En waarachtig, de onnoozele Frycollin was ernstig beangst, dat hij met zijn lichaam zou moeten dienen, om die twee levens, die klaarblijkelijk veel kostbaarder waren dan het zijne, te verlengen. Hij bepaalde er zich dan ook toe, om slechts in petto te zuchten.

De tijd vlood middelerwijl voorbij, en iedere poging om de deur met geweld te openen, of om een gat in de omwanding der cel te maken, was vruchteloos gebleven.

Waaruit bestond de bouwstof toch van die omwanding? Waarlijk, dat was onmogelijk te zeggen.

Het was geen metaal, het was geen hout, het was geen steen. Dat was alles, wat er van te vertellen viel.

De vloer daarenboven van de cel scheen van hetzelfde materiaal vervaardigd te zijn. Wanneer men met den voet trapte, dan veroorzaakte dit een eigenaardigen toon, dien Uncle Prudent onmogelijk onder de bestaande en bekende geluiden kon rangschikken.

Een andere bijzonderheid werd opgemerkt, namelijk dat het onder den vloer hol klonk, alsof hij niet op den bodem van Fairmont-Park rustte. Ja, als men goed luisterde, was het alsof dat onverklaarbare "frrr, frrr" langs den buitenkant van dien vloer scheerde.

Dat alles was voor ons drietal niets geruststellend.

"Uncle Prudent?" zei Phil Evans.

"Phil Evans?" antwoordde Uncle Prudent.

"Denkt gij, dat onze cel van plaats veranderd heeft?"

"Hoegenaamd niet!"

"Denkt ge?"

"Daar ben ik zeker van."

"Toch kreeg ik, op het oogenblik dat wij in dit hok opgesloten werden, de frissche lucht van het gras en den harsachtigen geur van de boomen in Fairmont-Park in den neus..."

"Ik ook."

"Maar nu mag ik de lucht zooveel opsnuiven als ik wil, daarvan ruik ik thans volstrekt niets meer."

"Inderdaad, gij hebt gelijk."

"Ja, maar hoe is dat te verklaren?"

"Verklaar het op de wijze als gij wilt, Phil Evans, mits gij maar de veronderstelling niet oppert, dat onze gevangenis van plaats veranderd kan hebben. Ik herhaal het, wanneer wij ons in een wagen bevinden, die voortgetrokken wordt, of in een vaartuig, dat op de oppervlakte van het water glijdt, zouden wij het moeten voelen."

Frycollin liet toen een akelig langgerekt gesteen hooren, dat er wel wat van weg had, of het zijn laatste ademtocht was. Geruststellend was het echter, dat het door verscheidene zware zuchten gevolgd werd.

"Ik houd het er voor, dat die Robur ons weldra voor zich zal doen verschijnen," hernam Phil Evans.

"Ik hoop het," riep Uncle Prudent uit. "Dan zal ik hem zeggen...."

"Wat?"

"Vraagt ge wat, Phil Evans?"

"Ja, Uncle Prudent, dat vraag ik."

"Wel, ik zal hem zeggen, dat hij begonnen is als een onbeschofte kerel en dat hij ge?indigd is als een gemeene kerel te handelen."

"Juist, Uncle Prudent. Dat zal raak zijn."

Phil Evans bemerkte thans, dat de dag aanbrak. Een nog ijle en onduidelijke lichtstraal gleed door het nauwe schietgat, hetwelk in het bovenste gedeelte van de omwanding vlak tegenover de deur aangebracht was. Het moest toen ongeveer vier uren in den ochtend zijn, daar de dageraad op de breedte van Philadelphia in de maand Juni op dat uur begint aan te breken. Daar viel niets tegen in te brengen.

Uncle Prudent haalde evenwel zijn repetitie-uurwerk, een meesterstuk, door de fabriek van zijn lotgenoot voortgebracht, uit den zak en liet het slaan. Het duidde aan, dat het kwart vóór drie?n was. Toch was het niet blijven stilstaan, daarvan waren beiden verzekerd.

"Dat's vreemd!" zei de secretaris Phil Evans. "Om kwart vóór drie?n moest het nog nacht zijn."

"Of de gang van het uurwerk moet vertraagd zijn..." antwoordde Uncle Prudent.

"Een uurwerk van de Walton Watch Company!!!" riep de secretaris Phil Evans uit. "Onmogelijk!"

Hoe het ook zij, zooveel was onbetwistbaar zeker, dat het wel degelijk de dag was, die aanbrak. Langzamerhand teekende zich het schietgat scherp wit af in de diepe duisternis der cel.

Hoewel de dageraad nu vroeger verschenen was dan wel veroorloofd mocht heeten op den veertigsten breedtegraad, waarop Philadelphia gelegen is, zoo brak het daglicht toch met die snelheid niet door, welke aan lage breedte eigen is.

Dat lokte andermaal eene bemerking van Uncle Prudent uit, die daarop dan ook wees als op een vreemdsoortig en onverklaarbaar natuurverschijnsel.

Phil Evans en Uncle Prudent zagen toe, maar konden er zich geen rekenschap van geven. Daarenboven, het schemerdaglicht vorderde slechts langzaam in de cel, waarin zij opgesloten zaten.

"Wij kunnen niet uitkijken," merkte de voorzitter van Weldon-Institute op.

"Uitkijken, waarnaar?"

"Wel uitkijken, om waar te nemen, waar wij zijn," vulde Uncle Prudent aan.

"Dat zouden wij kunnen doen," antwoordde de secretaris Phil Evans.

"Hoe zoo?"

"Wel door ons tot bij dat schietgat op te hijschen. Dat is waarlijk zoo moeielijk niet."

"Daar zegt ge zoo iets!" riep Uncle Prudent opgewonden en opgetogen uit.

"Dat zal wel gaan, dunkt mij."

"Mij ook!" bevestigde de voorzitter van Weldon-Institute.

En zich tot zijn knecht Frycollin wendende:

"Kom Fry!" zeide hij. "Kom, op! En vlug ter been!"

De neger stond met loome bewegingen op.

"Steun je rug tegen dien wand daar," beval hem Uncle Prudent.

Frycollin voldeed aan die lastgeving.

"En gij, Phil Evans," ging de voorzitter van Weldon-Institute voort, "en gij, Phil Evans, klim thans op de schouders van dien lummel...."

"Zal Frycollin sterk genoeg wezen, om mijn last te dragen?" vroeg de secretaris Phil Evans.

"Om u te dragen? Hij is sterk als een os! Daarenboven, ik zal hem schoren en steunen. Wees gerust, Phil Evans, gij zult niet vallen. Dat verzeker ik u."

"Welnu, dan klim ik."

Een oogenblik later stond de secretaris van Weldon-Institute op de schouders van Frycollin. In dien stand kwamen zijne oogen ter hoogte van het bedoelde schietgat.

Dit schietgat was gesloten niet door een lensvormig glas, zooals dat bij de patrijspoortjes van zeeschepen aangetroffen wordt, maar door eene eenvoudige ruit. Hoewel zij niet zeer dik van glas was, hinderde zij toch het gezichtsvermogen van den secretaris Phil Evans, wiens gezichtsveld zeer begrensd was. Hij merkte dat al grommende op.

"Welnu," zeide Uncle Prudent, "sla die ruit stuk, dan zult gij beter kunnen zien, dunkt me."

De raad was goed en werd dus opgevolgd. Phil Evans gaf een hevigen slag met de greep van zijn bowie-knife op de ruit, die een zilverachtigen toon liet vernemen.

"Te drommel!" zeide de secretaris, "dat is sterk glas. Maar ik zal nog eens probeeren."

Bom!... Een nieuwe slag nog harder dan de eerste, maar met even ongunstig resultaat.

"Mooi!" hernam Phil Evans. "Het is niet alleen sterk, maar totaal onbreekbaar glas!"

Inderdaad, die ruit moest vervaardigd zijn van een soort glas, te zaam gesteld volgens de uitvinding van Siemens, daar het, in weerwil van de hevige slagen en stooten, die Phil Evans daarop uitvoerde, onaangetast bleef.

Toch was de ruimte bij het vorderen van het daglicht nu genoeg verlicht om den blik te veroorloven iets waar te nemen van hetgeen in het beperkte gezichtsveld van de omlijsting van het schietgat te zien zoude zijn.

"Wat ziet ge?" vroeg Uncle Prudent, trappelend van ongeduld. "Nu, wat ziet ge, Phil Evans?"

"Niets, Uncle Prudent," antwoordde de secretaris bedaard.

"Wat, niets?"

"Neen."

"Ziet gij dan geen boomen, geen bosch?"

"Neen."

"Dan toch het bovenste gedeelte der takken?"

"Ook dat niet."

"Wij zijn dan niet meer in de open ruimte?"

"Neen."

"Niet meer in het Fairmont-Park?"

"Neen."

"Ontwaart gij dan geen daken van huizen?"

"Neen."

"Geen nokken van monumenten?" vroeg Uncle Prudent, wiens teleurstelling, gepaard aan woede, iedere seconde vermeerderde.

"Ook geen nokken van monumenten," antwoordde Phil Evans. "Niets, niets!"

"Wat! Zelfs geen scheepsmast, geen vlaggestok, geen kerktoren?"

"Neen."

"Geen fabrieksschoorsteen?"

"Neen."

"Wat ziet ge dan?"

"Niets! Niets dan de ijle ruimte!"

In dit oogenblik ging de deur der cel open en een man verscheen op den drempel.

Het was Robur.

"Eervolle en hooggeachte ballonisten," zeide hij met ernstige stem, "gij zijt thans vrij, geheel vrij om te gaan en te komen, zooals gij zulks zult verlangen...."

"Vrij en frank?" vroeg Uncle Prudent.

"Ja, zeker,.... althans binnen de grenzen van den Albatros!"

Uncle Prudent en zijn secretaris Phil Evans stormden de cel uit.

Op twaalf- of dertienhonderd meters onder hen ontwaarden zij de oppervlakte van eene landstreek, die zij, hoe zij ook tuurden, tevergeefs poogden te herkennen.

Free to Download MoboReader
(← Keyboard shortcut) Previous Contents (Keyboard shortcut →)
 Novels To Read Online Free

Scan the QR code to download MoboReader app.

Back to Top

shares