MoboReader > Literature > Van Orenburg naar Samarkand

   Chapter 5 No.5

Van Orenburg naar Samarkand By Anonymous Characters: 15502

Updated: 2017-12-06 00:02


Zelden zag ik eene zoo gemengde bevolking als te Tasjkend en in de andere steden der russische bezittingen in Centraal-Azi?. Men vindt in Turkestan, Sarthen, Tadsjiken, Oesbeken, Kirghisen, Koeramas, Turkomannen, Noga?s, Kasjgaren, Afghanen, Perzen, Arabieren, Joden, Hindoes, Tsiganen of Heidens, en eindelijk Russen. Over al deze volksstammen een enkel woord.

Joden te Tasjkend.

De Sarthen, die de groote meerderheid der gezeten bevolking van Tasjkend uitmaken, zijn, naar het mij voorkomt, geen afzonderlijk ras: ik houd ze voor eene vermenging van de Tadsjiken en de Oesbeken; in hun voorkomen en gelaatstrekken hebben zij iets van beide deze stammen. Steeds trof mij de sterke overeenkomst tusschen de Sarthen en de Joden. Dezelfde gelaatstype, dezelfde neigingen, hetzelfde karakter. Evenals de Jood, is de Sarthe schraapzuchtig en tuk op winst; als de Jood, houdt hij van schacheren en kleinhandel; als de Jood, kent hij, waar het zijn belang geldt, geen gemoeds- of gewetensbezwaren; als de Jood eindelijk, is hij kruipend en lafhartig.-Het woord Sarthe beteekent kramer, schacheraar; en getrouw aan hun naam, hebben de Sarthen zich meester gemaakt van den geheelen handel des lands, zoowel in de steden als bij de nomaden. Zij zijn het, die overal het hoogste woord voeren; onder voorwendsel van de wet des Profeten te verbreiden, laten zij de onwetende zonen der woestijn vier malen den prijs betalen der eerste levensbehoeften, die hij hun slijt. De eenige lichtzijde van het door en door vulgaire hebzuchtige karakter van den Sarthe, is zijne begeerte naar onderwijs, en een zekere geschiktheid om verbeteringen in te voeren. Maar wachten wij ons voor overdrijving: die meerdere leerzaamheid en vatbaarheid kan den Sarthe alleen toegekend worden in vergelijking met de andere muzelmannen van Centraal-Azi?.

De Tadsjiken zijn zeer schoon van gelaat en voorkomen; zij danken dit aan hunne afkomst, daar hunne voorouders uit Perzi? zijn gekomen. Zij spreken nog een perzisch dialect. Zij vormen als het ware de verstandelijke aristokratie van Turkestan, en ieder, die in Centraal-Azi? aanspraak wil maken op beschaving en goede manieren, tracht zooveel mogelijk, in spraak, gewoonten en toon, de Tadsjiken na te bootsen.

Kirghisen-vrouwen.

De Oesbeken, in vroegere tijden waarschijnlijk door eene vermenging van verschillende rassen ontstaan, vormen thans eene eigene, gesloten nationaliteit. Zij hebben uitstekende wangbeenderen en eene groote physieke kracht, maar hun verstand gaat niet boven het middelmatige. Toch zijn zij de meesters en beheerschers van het land: zij zijn als het ware de krijgshaftige adel, en al de emirs en khans van Centraal-Azi? zijn Oesbeken. Zij hebben het nomadenleven nog niet geheel vaarwel gezegd; velen hunner hebben zich nimmer in eene stad gevestigd, en zelfs onder de stadbewoners zijn er, die bijna het gansche jaar doorbrengen in tenten, rondom hunne woning opgeslagen. Geheel ongelijk hebben zij niet: ook zonder een Oesbeke te zijn, kan men, gedurende de ondragelijke hitte van den turkestanschen zomer, aan het verblijf in eene frissche tent de voorkeur geven boven dat in eene bedompte woning.

De Kirghisen zijn in een aantal stammen gesplitst. Ge herkent ze op het eerste gezicht aan hun karakteristiek voorkomen: kort ineengedrongen lichaam, breeden platten schedel, uitstekende wangbeenderen, smalle oogen, vooruitstekenden mond, korten platten neus, kleinen dunnen baard, donkerkleurige huid van alle schakeeringen tusschen de bruine tint van een Zuid-Europe?r tot bijna koolzwart. Met hunne iourten (tenten) zwerven zij over eene onmetelijke uitgestrektheid, in de Siberische steppen, in russisch Turkestan, in de khanaten van Khiwa en Bokhara. Hun gezamenlijk aantal bedraagt wellicht drie millioen zielen. Hun ware naam is niet Kirghisen, en wanneer men hen daarmede aanspreekt, antwoorden zij: "Wij zijn geen Kirghisen, wij zijn Kazaks." Zoo heeten zij dan ook inderdaad; doch daar de Russen hen steeds Kirghisen noemen, beginnen zij zich aan dien naam te gewennen, die misschien ontleend is aan een hunner stammen, de Kyrgz. Waarom juist deze kleine stam, verscholen in de reusachtige gebergte van Thian-Sjan, zijn naam heeft gegeven aan de volkerengroep, over het onafzienbare gebied van Siberi? tot de Amoe-Darja, en van het Oeralgebergte tot de bergen van Thian-Sjan verspreid:-ziedaar eene vraag, waarop ik niet kan antwoorden.-Zooals men weet, splitsen de Kirghisen zich in drie hoofdgroepen of afdeelingen: de Groote-Horde, ten oosten, nabij de grenzen van Siberi? en China; de Kleine-Horde (inderdaad de talrijkste) van het Oeralgebergte tot het meer Aral; en de Middelste Horde, tusschen de beide vorigen gevestigd. Eigenlijk behoort men hier nog eene vierde groep bij te voegen: de Binnen-Horde, die zich in 1812, in de destijds onbewoonde steppen van het gouvernement Astrakhan vestigde.-Alle Kirghisen zijn muzelmannen; maar zij nemen de wet van den Profeet alleen in zoover in acht, als deze strookt met hun ingewortelde vrijheidszucht en hun hartstocht voor roof en plundering, die hun eigenlijk levenselement is. Zij zijn immer op de loer, altijd speurende naar buit, voortdurend van de eene plaats naar de andere trekkende: alle soort van weelde of overdaad is hun dan ook vreemd. De tent van den Kirghise is eenvoudig in den hoogst mogelijken graad; hetzelfde geldt van zijne kleeding, en zijn voedsel is ellendig.

De Koeramas, die men in de stad Tasjkend en in de omstreken aantreft, zijn gesproten uit eene vermenging van arme Kirghisen, tot verschillende stammen behoorende, met de onvermogende inwoners der stad. Zij gaan door voor zeer bekrompen van verstand, indien al niet voor idioot. Het woord Koerama, dat letterlijk vermengd beduidt, wordt te Tasjkend doorgaans in ongunstigen zin gebruikt: het is wel niet rechtstreeks een scheldwoord, maar geldt toch als een spotnaam. Eens liet ik mijn album aan een aanzienlijk ingezetene zien. Het portret van een Koerama, die trouwens een zeer kenbaar gelaat had, trof hem bovenmate: hij lachte overluid en riep, in de handen klappende: "Uitstekend! Dat is een echte Koerama!"-"Maar wat vindt gij dan toch zoo bijzonders aan de Koeramas?" vroeg ik hem.-"Eschaki:"-het zijn ezels-antwoordde hij droogweg.

De Turkomannen zijn zeer zeldzaam te Tasjkend, waar men hen bijna niet dan van hooren zeggen kent. De zeer weinigen, die ik hier ontmoette, hadden zoozeer de eigenaardige type van hun stam verloren, dat ik hen gerust met stilzwijgen kan voorbijgaan.

Veel talrijker zijn de Noga?s, die tot het tartaarsche ras behooren. Zij zijn bijna allen uit het zuidoosten van Rusland of uit Siberi? afkomstig: de een verliet het land om aan den kerker te ontkomen; een ander om zich aan de militaire dienst, zoo gehaat bij de muzelmannen, te onttrekken; een derde weer om een andere reden. Van nature met veel gezond verstand begaafd, en bovendien eenigszins ontwikkeld door de onvermijdelijke aanraking met de Europeanen in Rusland, weten de Noga?s zich in Centraal-Azi? uitnemend te vinden: vooral wanneer zij slim genoeg zijn om zich voor martelaars te doen doorgaan, ter wille van hun geloof uit hun vaderland verdreven. Diegenen onder hen, die de muzelmansche scholen van Kazan of eenige andere russisch-tartaarsche stad hebben bezocht, waar het onderwijs buiten kijf op hooger trap staat dan in Turkestan, brengen het gemakkelijk tot moudariss (professor), en worden algemeen als geleerden ge?erd. Daar de Noga?s meestal in Rusland gewoond hebben, zijn zij zeer geschikt om als bemiddelaars en tusschenpersonen te dienen tusschen de veroveraars, wier taal zij spreken, en de inboorlingen, wier godsdienst zij belijden. Men moet hen echter niet te veel vertrouwen, want zij zijn niet bijzonder nauwge

zet.

De Kashgaren te Tasjkend zijn, zooals hun naam aanduidt, afkomstig uit Klein-Bokharije of Opper-Turkestan, en vooral uit Kasjgar, de voornaamste stad dezer uitgestrekte landstreek. Meest allen zijn afstammelingen van uitgewekenen, die, hetzij in den loop der vorige eeuw, hetzij in de laatste jaren, Klein-Bokharije verlieten, vandaar verdreven door de gedurige oorlogen, die dat land teisterden. Vroeger waren zij echter hier veel talrijker dan tegenwoordig. Velen hunner hebben een echt chineesche type.

De Afghanen, gering in aantal, wonen bijna allen in een karavanserai, waar geen vreemden worden toegelaten. Zij zijn of kooplieden of smokkelaars, zeer dikwijls het een zoowel als het ander. Zij laten de in Centraal-Azi? zoo geliefkoosde groene thee, over Hindostan uit China komen; en ondanks dien kolossalen omweg; leveren zij die gesmokkelde thee voor minder prijs dan de russische thee, die rechtstreeks over Kiachta wordt ingevoerd.

De Perzen munten in verstandelijke ontwikkeling boven alle tot dusver genoemde stammen uit. In de onafhankelijke khanaten bekleeden zij de hoogste en moeilijkste ambten, worden de gewichtigste zendingen aan hen vertrouwd. Vroeger slaven, zijn zij sedert de russische overheersching vrije mannen geworden. Te Tasjkend maken zij een zeer belangrijk bestanddeel der bevolking uit; hun aantal is vrij groot, en blijkbaar gevoelen zij zich in hun nieuw vaderland geheel te huis. Dit is te opmerkelijker, daar zij allen Sj?iten zijn, en dus, in den grond, de natuurlijke vijanden der muzelmannen van Centraal-Azi?, die voor verreweg het grootste gedeelte tot de secte der Sonniten behooren. Dit verschil in belijdenis belet de Perzen evenwel niet, trouw de moskee?n te bezoeken. Wie zal zeggen, in hoeverre zij hierin oprecht zijn? Zeker is het, dat de Sarthen hen niet veel vertrouwen, en nog altijd de gezworen vijanden der Sonniten in hen zien. "Die honden van Sj?iten, zeide mij eens een inwoner van Tasjkend, komen in onze moskee?n, maar dat is om ons zand in de oogen te strooien. Tehuis gekomen, doen zij hun gebed nog eens over."

Arabieren vindt men zeer weinig te Tasjkend; in de andere steden van Centraal-Azi? zijn er enkelen gevestigd, en in de omstreken van Samarkand vormen zij kleine koloni?n. Voor zoover ik er over kan oordeelen, onderscheiden zij zich hier als elders door een sprekend gelaat, levendige en doordringende oogen, zware wenkbrauwen, en een fraaien baard.

Veel talrijker zijn de joden, die in een afzonderlijke wijk wonen. Hun getal groeit voortdurend aan: want de Joden, die te Bokhara en in de onafhankelijke khanaten worden onderdrukt, komen in russisch Turkestan een veiliger verblijfplaafs zoeken, op het gevaar af van hun hoofd te verliezen, indien zij op hunne vlucht betrapt worden. De joden van Tasjkend en in russisch Turkestan mogen zich dan ook wel gelukkig roemen, als zij hun toestand vergelijken met dien hunner geloofsgenooten in de andere landen van Centraal-Azi?. Daar zijn zij, in hunne kleeding en hun openbaar leven, aan allerlei strenge bepalingen onderworpen. In sommige steden mogen zij niet dan op een ezel binnenkomen; in andere mogen zij slechts te voet gaan. Het is hun verboden, zijden of andere kostbare kleederen te dragen: hun gewaad moet van eenvoudig laken en steeds donkerkleurig zijn. Zij mogen geen anderen gordel hebben dan een koord, en geen ander hoofddeksel dan de toppeh, een kleine ronde muts of kapje, waarover zij des noods eene soort van bonten muts mogen dragen. Maar geen jood zou het zonder levensgevaar kunnen wagen, zich te versieren met een tulband, of zelfs zich het hoofd met een doek te omwikkelen. In russisch Turkestan zijn zij natuurlijk van al deze bepalingen ontslagen: daarom zijn zij te Tasjkend zoo trotsch; zij berijden fraai opgetuigde paarden, tooien zich met veelkleurige kleederen, en als zij een tur (russisch heer) ontmoeten, beproeven zij het, hem op militaire wijs te groeten.

Voor de komst der Russen verkeerden de Hindoes te Tasjkend bijna in denzelfden toestand van vernedering als de kinderen Isra?ls. Zij zijn niet talrijk; maar wat zij in aantal missen, vergoeden zij door ijver en werkzaamheid. Deze Hindoes zijn de gruwelijkste woekeraars der wereld: een rente van twee- en driehonderd percent is voor hen eene kleinigheid. Zij zijn bijna allen zeer rijk, maar leven op een hoogst eenvoudigen voet, zonder vrouwen, in afzonderlijke karavanserais, waar zij ieder hunne eigene kamer, eene kleine donkere, maar zindelijke cel, hebben. Zij zijn uiterst matig, eten geen vleesch, drinken niets dan water, en bereiden zelven hunne spijzen, ook om verontreiniging door anderen dan geloofs- en standgenooten te voorkomen. Het zijn in den regel schoone, welgebouwde mannen, met een zielvol gelaat en eene edele gestalte. Wat hun karakter aangaat, zou ik hen liefst met de joden vergelijken. Echter met dit karakteristieke onderscheid. Zoodra er eenig gevaar dreigt, begraaft de Jood zijn geld en zijne kostbaarheden in den grond, en loopt weg, zonder zelfs een oogenblik om te zien. De Hindoe daarentegen gaat rustig op zijn koffer zitten, en blijft zijn narghileh rooken, al weet hij ook dat de dood hem wacht.

De Tsiganen of Heidens, die echte wereldburgers, zwerven ook, maar in kleinen getale, door russisch Turkestan. Die de Gitanos in Spanje of de Zigeuners in Hongarije en Polen gezien heeft, kent ook de Tsiganen van Centraal-Azi?: ook hier leven zij van bedelarij en diefstal; en houden zich tevens met waarzeggerij bezig. Tegen de algemeene gewoonte in muzelmansche landen, gaan hunne vrouwen met onbedekt gelaat.

Ik mag dit overzicht der veelsoortige bevolkingen van Centraal-Azi? niet eindigen, zonder met een enkel woord te spreken van de laatstaangekomenen, maar tevens de machtigsten: de Russen. Tot dusver is hun aantal gering; zij ontleenen hun overwicht aan den schrik hunner wapenen en aan de onbetwistbare meerderheid hunner europeesche beschaving boven de halve barbaarschheid der volksstammen van Centraal-Azi?. Bijna alle hier gevestigde Russen zijn militairen, ambtenaren of kooplieden: de eigenlijke kolonisten zijn tot dusver in dit land niet verschenen. Toch naderen zij langzaam maar zeker, in de richting van de Sir-Darja, en het oogenblik is waarschijnlijk niet meer verre, waarop de landbouwers van zuidwestelijk Siberi? ook de grenzen dezer nieuwe russische provincie zullen overschrijden.

Ongetwijfeld heeft de russische kolonisatie van Centraal-Azi? met gewichtige bezwaren te kampen: het komt er vóór alles op aan, grondeigendom te verwerven, en de landen, die thans aan de inboorlingen behooren, in het bezit der Russen te doen overgaan: en dit is niet gemakkelijk. Toch, het koste wat het wil, moet deze kwestie worden opgelost, en wel zoo spoedig mogelijk. Dit is noodig: niet alleen in het belang van Rusland, maar vooral ook in het belang der inboorlingen zelven, die er niet dan bij zouden verliezen, indien zij weder onder het juk hunner vorige tirannen werden teruggebracht, en wanneer op nieuw die oneindige reeks van burgeroorlogen, geweldenarijen en gruweldaden begon, waaruit tot dusver de geschiedenis van Centraal-Azi? was saamgeweven. Zonder eene ernstige en op breede schaal aangelegde kolonisatie, zal russisch Turkestan alleen in naam russisch zijn. Indien de regeering zich de zaak niet aantrekt, en niet zorgt de noodige gronden in hare macht te krijgen, waarop zich eene talrijke christelijke en beschaafde bevolking, nevens de barbaarsche muzelmansche stammen, vestigen kan, zullen wij langs de boorden van de Sir-Darja in dezelfde positie blijven verkeeren als de Engelschen in Hindostan: dat wil zeggen, dat wij ieder oogenblik aan het gevaar blootstaan, door een algemeenen opstand der inboorlingen verdreven te worden.

(← Keyboard shortcut) Previous Contents (Keyboard shortcut →)
 Novels To Read Online Free

Scan the QR code to download MoboReader app.

Back to Top

shares