MoboReader > Literature > Van Orenburg naar Samarkand

   Chapter 2 No.2

Van Orenburg naar Samarkand By Anonymous Characters: 18664

Updated: 2017-12-06 00:02


Toen ik aan het fort Kazali of Kazalgue-of zoo ge liever wilt, het fort Nommer I,-aankwam, mistte het zoo sterk, dat ik bijna geen hand voor de oogen zien kon. Nader komende onderscheidde ik eerst eenige windmolens, en daarna ettelijke kleine, lage huizen. Kazali ligt aan den rechteroever van de Sir-Darja; de huizen van het vlek zijn uit tichelsteenen opgetrokken, die in de zon zijn gedroogd. Zij doen u denken aan de arme boerenwoningen in zuidelijk Rusland, met dit onderscheid alleen, dat hier de daken plat zijn. De bazar is ruim en goed ingericht: hier is de algemeene verzamelplaats der Kirghisen van den omtrek, die russische artikelen komen inkoopen of hun vee te koop aanbieden. De liefhebbers zullen zeker met belangstelling vernemen, dat de kaviaar te Kazalgue voortreffelijk is: zij zou inderdaad onvergelijkelijk zijn, zonder de slechte hoedanigheid van het zout, dat bij de bereiding gebruikt wordt.

Het fort Nommer I is het punt van uitgang der stoombooten, die de Sir-Darja bevaren. Bevaren is eigenlijk wat veel gezegd: die booten toch sukkelen met groote moeite op de rivier voort, zonder dat men eigenlijk weet waarom het zoo slecht gaat. Ligt de schuld bij den scheepsbouwmeester, of wel bij de gedurige veranderingen, waaraan het bed en de stroom van de rivier bloot staan? Misschien hebben beiden deel aan dien toestand: maar hoe dit zij, zeker is het dat de stoomvaart op de Sir-Darja in een jammerlijken toestand verkeert, en dat daarin geene verandering is te wachten, zonder eene afdoende verbetering van het bed der rivier zelf:-een werk, dat zeer aanzienlijke sommen vereischen zou.

Twintig wersten van Kazali liggen de bouwvallen der stad Djanekent aan den linkeroever van de Sir-Darja in de nabijheid van een meer. Ik wenschte een uitstapje daarheen te maken, en vroeg en verkreeg daartoe vergunning van den kommandant van het fort, den majoor Youry, die mij zelf paarden verschafte en een gids medegaf, een Kozak, die de turksche taal verstond. Zoo uitgerust toog ik dadelijk op weg naar Djanekent. Wij volgden eenigen tijd de oevers van de Sir-Darja, tot wij, bij eene bocht der rivier gekomen, rechts afsloegen. De weg was zeer druk en levendig. Kirghisen trokken voortdurend heen en weder; sommigen te paard, anderen op een kameel; enkelen, nederiger van aard, zaten op een ezel; ik ontmoette er zelfs eenigen, die op een os reden. Deze Kirghisen gingen naar het fort om schapen en runderen te verkoopen, en zich in ruil daarvoor de noodige voorwerpen aan te schaffen voor hunne kibitka. Langs den weg zag ik verscheidene kleine kampementen van arme nomaden, die voor hun mager vee in deze dorre streek een schraal voedsel zochten. Ik trad enkele dezer tenten binnen: hier waren de vrouwen bezig de schapen te scheren, elders zuiverden zij de wol, overal waren zij aan den arbeid, terwijl de mannen niets uitvoerden. Bezochten wij eene kibitka, dan werden wij steeds ontvangen met het traditioneele aman tachar (ik groet u, vriend). Zoo trokken wij langzaam voort in de richting van het veer over de Sir-Darja, terwijl mijn Kozak mij eenige bijzonderheden verhaalde omtrent den laatsten strooptocht van Sadike.

Sadike is de zoon van Kenissara, een van de onrustigste hoofden der Kirghisen; en hij zelf is een niet minder lastige buurman. Hij zal ons geen rust laten, zoolang zijn hoofd nog op de schouders staat: en het laat zich niet aanzien, dat hij het spoedig verliezen zal: de helden van zijne soort toch maken zich uit de voeten als het gevaar nadert, en moeten zij bij ongeluk aan het gevecht deelnemen, dan dragen zij wel zorg, op hunne vlugge paarden te vlieden, zoodra zij zien dat de kans zich tegen hen keert.

Er liepen reeds sedert eenigen tijd onrustbarende geruchten. Sadike, zoo heette het, rustte zich ten oorlog en had een aanslag op Kazalgue in den zin. Reeds braken de meeste nomaden hunne tenten op en verhuisden naar de overzijde van de Sir-Darja, want men wist zeergoed, dat onze vriend alles uitplunderen zou wat onder zijn bereik kwam, onverschillig of het vriend of vijand was. De kommandant van het fort zond zeventig Kozakken van Orenberg op verkenning uit. Zeventig man tegenover een duizendtal bandieten: de kans scheen hachelijk!

Toch zouden de Kozakken, indien zij maar den vijand onverhoeds hadden aangetast, waarschijnlijk de zege hebben behaald; zij zouden hem althans hebben tegengehouden en van verder voortdringen afgeschrikt. Ongelukkig was het detachement niet genoeg op zijne hoede. Niet ver van het fort, zetten onze soldaten zich neder om hun eenvoudig maal van gort gereed te maken, terwijl een twintigtal hunner, ongewapend, de paarden naar de rivier leidden om te drinken. Eensklaps vertoonde zich de vijand, meer dan duizend man sterk, meer of minder goed gewapend; velen alleen met lansen en pieken. Sedert langen tijd had hij op zijne prooi geloerd. De Kirghisen wierpen zich op de twintig manschappen, die op weg waren naar de rivier: en binnen weinige oogenblikken waren genoegzaam allen vermoord. Twee of drie Kozakken echter wisten zich te redden. Een ander, door een tiental wilden achtervolgd, mikte, al vluchtende, nu op den een, dan op den ander, en daar de ruiters der steppen er vooral niet op gesteld zijn, den dood in de kaken te loopen, zou hij stellig ontkomen zijn, indien hij niet bij ongeluk zijn patronen had laten vallen; voor het laatst schoot hij nog eens zijn geweer af, en werd toen neergesabeld.

De vijftig mannen, die hunne gort kookten, waren getuigen van die slachting, maar konden hunne makkers niet te hulp komen. Plotseling overvallen, moesten zij in de eerste plaats op zelfverdediging bedacht zijn. Zoodra de vijand de andere slachtoffers had geveld, sloot hij ook hen van alle zijden in. Had hij zich aanstonds op hen geworpen, zonder hun den tijd te laten zich op tegenweer voor te bereiden, dan was er wel geen twijfel aan geweest of deze handvol Russen zou spoedig bezweken zijn. Maar in plaats van aan te vallen, begonnen de Kirghisen te overleggen wat te doen. De Kozakken grepen nu moed, en vingen aan hunne positie te versterken. Met spaden, stokken en hunne handen, groeven zij kuilen in den grond, waarin zij zich zoogoed mogelijk verborgen; sommigen zetten zich daarin neder, anderen stonden overeind, tot aan de borst of hooger gedekt. De uitgegraven aarde vormde een soort van wal, waaraan met behulp van zadels, en allerlei andere voorwerpen zooveel mogelijk stevigheid werd gegeven. De paarden waren verloren: de Kirghisen hadden ze allen opgevangen. Inmiddels viel de nacht en maakte een einde aan de vijandelijkheden.

Den volgenden morgen hervatten de zwervende zonen der steppe, onder het aanheffen van woeste kreten, den aanval. De Kozakken gingen spaarzaam om met hunne ammunitie: zij hadden slechts veertig patronen per hoofd, en moesten zoolang mogelijk volhouden. Zij lieten dus den vijand tot op korten afstand naderen, en losten dan hunne geweren op den saamgepakten hoop: na iedere décharge waren de rangen der Kirghisen gedund, en bleek de drift der aanvallers merkelijk bekoeld. Telkens weken zij in groote verwarring terug, hunne dooden medevoerende, wanneer zij daartoe den tijd hadden; maar des avonds lagen er nog velen hunner aan den voet van den lagen wal, waar het doodelijk lood hen getroffen had. Den volgenden morgen echter waren geene lijken te zien: de Kirghisen waren des nachts, stil en heimelijk, tot nabij den wal geslopen en hadden de lichamen hunner makkers weggevoerd.

Dit duurde alzoo drie dagen. Zonder spijs of drank, boden de Kozakken met onbezweken moed een hardnekkigen tegenstand. Eindelijk trokken de Kirghisen af. De Kozakken verbergden daarop hunne zadels in het zand, en keerden, meer dood dan levend, naar het fort terug. De manschappen, die op den weg naar de rivier waren gedood, werd het hoofd afgehouwen; en hoogstwaarschijnlijk werden deze bloedige tropee?n, als de teekenen eener schitterende overwinning op de russische legermacht behaald, voor de voeten van den emir van Bokhara gelegd.

Intusschen vervolgden wij onzen weg, en kwamen weldra aan de tent, die de plaats aanwijst, waar zich het veer over de Sir-Darja bevindt. Hier is ook eene wacht van Kozakken, om te beletten dat de Kirghisen steenen uit de puinen van Djanekent wegnemen. Met een groote pont werden wij over de Sir-Darja gezet, in gezelschap van eenige kameelen, die lang tegenspartelden eer zij in de schuit stapten, maar zich gedurende de overvaart zeer rustig hielden.

Op den linkeroever gekomen, bevonden wij ons voor de vestingwerken van Dsjan Kala, die nog vrijgoed in stand zijn gebleven. Zij bestaan in aarden wallen, tusschen de vier en vier-en-een-half el hoog, met eene gracht die nu gedempt is. Binnen die wallen is geen spoor van woning te zien. Ten zuidoosten, op een afstand van ongeveer zes kilometer van de rivier, ziet ge een grooten muur; een kilometer verder, verrijzen eenige heuvelen, sommige met gras en struiken bedekt, andere geopend en half afgegraven. Dat is het oude Djanekent. De Kirghisen hebben onderscheidene heuvels omgewoeld, ten einde zich meester te maken van de gebakken tichelsteenen, die daarin verborgen waren. Vreemd! Nu twee of drie jaar geleden, vermoedde niemand iets van de aanwezigheid dier steenen, bijna geheel in onbruik geraakt hier in dit land, waar alle huizen en gebouwen uit leem en aarde worden

opgetrokken. Men zag wel hier en daar fragmenten van tichelsteen, maar niemand dacht er aan, dat een zoo groote overvloed dier steenen in de met gras begroeide heuvelen verborgen lag. Toch was bij de nomaden eene overlevering bewaard gebleven, die van het bestaan eener groote stad in dezen omtrek gewaagde; en dikwijls wezen zij den reiziger de eenzame heuvelen, de overblijfselen van eene ongelukkige stad, die door de slangen verwoest was. Volgens de traditie was deze stad eenmaal de zetel van de vorsten des lands. De laatste hunner had de dochter van een naburigen koning tot vrouw genomen; zij werd hem ontrouw, en de beleedigde echtgenoot doodde haar. De vader van het slachtoffer was een groot toovenaar. Om den dood zijner dochter te wreken, zond hij slangen naar de stad, die den koning en zijn volk verslonden. Men wees mij zelfs een heuvel, met dicht struikgewas begroeid, zeggende dat het daar nog van slangen wemelde. Later deed ik opgravingen in dien heuvel, maar vond geen spoor van eene enkele slang.

Een biddende mollah.

Zoodra het eenmaal was gebleken, dat hier een bijna onuitputtelijke voorraad tichelsteenen voorhanden was, begonnen de Kirghisen alles af te breken, en de steenen, die zij konden wegnemen, naar het fort te brengen. Particulieren, die zich eene woning bouwen wilden, kochten al deze steenen op. Zoo voortgaande, zouden de ru?nen weldra geheel verdwenen zijn. Maar nu kwam de regeering tusschenbeiden. Zij verbood dien handel, maar behield zich toch het recht voor, om zelf die materialen te gebruiken ten behoeve van de fortificati?n. Het is te hopen, dat zoo de opgravingen op groote schaal worden voortgezet, dit onder behoorlijke leiding en met de noodige voorzorgen zal geschieden.

Ik liet ook eenige opgravingen doen, en vond menschenbeenderen en beenderen van schapen, paarden en kameelen; voorts gebakken steenen, houtskool en eenige aarden potten, waaronder enkelen van inderdaad fraaie bewerking en met figuren versierd. Ik kon evenwel mijne nasporingen niet voortzetten, omdat het mij daartoe aan tijd en geld ontbrak. De Kirghisen toch voeren weinig uit, en dat weinige doen zij nog slecht. Bovendien begonnen zij, zoodra zij zagen dat ik belang in de zaak stelde, al zeer spoedig hunne eischen hooger te stellen, naarmate zij dieper moesten graven. Ter voorkoming van alle moeilijkheden, liet ik mijne opgravingen maar in den steek.

Gedurende mijn verblijf te Djanekent, bracht ik doorgaans den nacht in een naburig kamp door. De kibitka, waar mij deze gastvrijheid bewezen werd, behoorde aan een Kirghisen-familie, bestaande uit vader, moeder en twee dochters, eene van dertien en eene van negen jaren. Er was ook nog een volwassen zoon, maar dien ontmoette ik maar eenmaal in de vaderlijke tent. Hij woonde in het fort, en dreef ik weet niet meer welken handel, voor rekening van zijn vader.

Eene woning in Oud-Tasjkend.

De vader was een verstandig man, ruim veertig jaar oud, en in zijn voorkomen meer gelijkende op een Noga? dan op een Kirghise. Hij was steeds gekleed in een wijden witten kamerjapon van kemelshaar, en droeg op het hoofd een zoogenaamden toppé. Als het koud was en hij op reis ging, dekte hij zich met een zeer hooge, smal toeloopende muts van schapenvacht.

De mama, gansch niet vrij van praatzucht en oud voor haar tijd, was eene echte vertegenwoordigster van de kirghisische type, platte neus, kleine oogen, uitstekende wangbeenderen. Zij droeg een wijden broek, met hooge laarzen daarover heen; een lang, grof, blauw hemd, en omwikkelde haar hoofd en hals met een stapel doeken.

De oudste dochter, die zelden sprak, was krachtig en welgevormd. Zij geleek veel op hare moeder, en ging ook evenzoo gekleed; alleen droeg zij aan de armen en om den hals armbanden en kettingen van glas en veelkleurige steentjes; hare koolzwarte in kleine vlechten opgemaakte haren waren gewikkeld in een schitterend rooden wollen doek.-Het jongste kind geleek op haar vader. Zij was grillig, maar zeer innemend, en speelde onbeschroomd met mij. Haar hoofd was kaal geschoren, met uitzondering van een krans van vlechten rondom het hoofd en eene dergelijke vlecht op de kruin.

Als ik, bij zonsondergang, in de kibitka trad, vond ik de familie doorgaans neergehurkt rondom het vuur, al knipoogende in de vlam en den rook starende. De moeder en de oudste dochter waren altijd aan den arbeid; de vader stookte met een kleine ijzeren staaf het vuur op, en gaf zijne bevelen. De vrouwen bereidden de soep of bakten koeken. De soep was zeer spoedig gereed: in een grooten ketel werd eene zekere hoeveelheid water geschonken, vervolgens gort en een weinig meel daaronder gemengd, en dan dat alles over het vuur gehangen tot het water kookte. Wat van den maaltijd overbleef, werd in eene houten terrine met een lederen bodem gedaan, en gedurende twee of drie dagen werd de soep nu koud gebruikt. Het bakken der koeken vorderde weinig meer omslag of tijd.

Om het koren te malen, gebruiken de Kirghisen een kleinen handmolen, bestaande uit twee platte, ronde steenen. In den bovensten steen is eene opening, met twee kleine dwarshoutjes voorzien, waardoor een spil gestoken wordt, die op den ondersten steen rust. Het koren wordt door de opening geworpen, waarna de bovenste steen door middel van een langen stok, rechthoekig aan de spil bevestigd, wordt rondgedraaid. Het meel dat aldus verkregen wordt, is met zemelen vermengd en tamelijk grof. In het geheele kamp, uit zeven of acht tenten bestaande, was geen andere molen te vinden dan die mijner gastvrouw; telkens kwam dan ook eene of andere buurvrouw om haar meel te malen, of den molen voor eenige oogenblikken te leenen.

Echter vermoed ik dat niet enkel de molen onze buren en buurvrouwen zoo telkens naar de tent lokte. Mijne tegenwoordigheid in de kibitka was zeker de voornaamste reden van deze drukke bezoeken. Zij wisten dat de kibitka, waar ik tijdelijk mijn intrek genomen had, groote en begeerlijke schatten bevatte: tabak en kruit voor de mannen; zeep, ringen, naalden, enz. voor de vrouwen. Eigenlijk golden de bezoeken dan ook niet zoozeer mijne gastvrouw en haar molen, maar veeleer mij zelf: het einde was dat het grootste gedeelte van mijn kleinen schat allengs in geschenken verloren ging.

De kibitka van mijn gastheer was versleten, maar wij hadden het er warm: het vuur op de stookplaats werd geen oogenblik uitgedoofd. De rook, die de gansche tent vervult, is echter voor iemand, die daaraan niet gewoon is, eene onuitstaanbare kwelling. De Kirghisen branden kameelenmest of struiken van de steppe, die zoo rauw, nauwelijks aan stukken gehakt, op den haard worden geworpen, en toch zeergoed branden. De zorg voor het vuur is doorgaans aan de kinderen opgedragen. De Kirghisen gaan met hunne kinderen geheel anders om dan wij: zij beknorren ze bijna nooit, en beschouwen ze eenigermate als volwassenen. Het kleine dartele ding in onze tent kon soms haar vader duchtig de les lezen. Was zij boos of kwaad gehumeurd, dan gaf men haar een koek, of beloofde haar eenig geschenk, om haar weer tevreden te stellen.

Op zekeren dag besteeg mijn Kirghise zijn kameel en toog op weg naar het fort, waar hij, volgens zijn zeggen, boter ging verkoopen. "Hij gaat geen boter verkoopen, verzekerde mij zijne echtgenoote; hij gaat zijne andere vrouw bezoeken, die te Kazale woont, en die de moeder is van den zoon, dien gij hier eens ontmoet hebt. Van de twee meisje is het eene, dat, zooals gij zegt, op mij gelijkt, een kind van mijn eersten echtgenoot; het jongste meisje is uit dit huwelijk. Toen mijn eerste echtgenoot, die de broeder was van mijn tegenwoordigen man, was gestorven, heeft deze mij tot zich genomen, met mijne dochters en al wat ik had; want ik was zeer rijk. Ik bezat driehonderd schapen, zes kameelen, een aantal paarden en vele wel voorziene koffers. Hij had niets; ik heb alles aangebracht, zelfs deze tent, die toen nieuw was en nu versleten is. Eene mijner dochters is gehuwd te Bokhara, eene andere te Khiwa; ik heb bij mijn eersten man zes dochters gehad. Ongelukkig werd mij nimmer een zoon geboren. Wie zou een zoon met een dochter kunnen vergelijken? Wat beteekent een meisje?" en dit zeggende spuwde zij met diepe verachting op den grond.

Zij voegde er bij, dat haar oudste dochter, dertien jaar oud, op het punt van trouwen stond. De losprijs was sedert lang betaald; zelfs was de bruidegom reeds verschenen om zijne bruid af te halen, voor wie hij, als huwelijksgift, een zeker aantal schapen en paarden had medegebracht; maar de vader van het jonge meisje had bovendien een kameel ge?ischt, en de jonkman was weder vertrokken, om dien kameel te gaan halen. "Wij zullen onze dochter op een fraaien kameel zetten, zeide de moeder; wij zullen haar mooi aankleeden, en met een sierlijk gewaad bedekken; ik zal zelf ook op een fraaien kameel gaan zitten, en mijn kind naar hare nieuwe woning geleiden."

De bruid was bij dit gesprek tegenwoordig. Zij was verstrooid van gedachten, en luisterde ternauwernood naar hetgeen gezegd werd, als ging het haar niet aan; achteloos vlocht zij koorden van kemelshaar om de tent mede vast te binden. Het jongste meisje, negen jaar oud, was verloofd aan een Kirghise van veertig jaar, die haar voor vier-en-zestig schapen en twee paarden gekocht had, en haar, na verloop van drie of vier jaren, tot zich zou nemen.

(← Keyboard shortcut) Previous Contents (Keyboard shortcut →)
 Novels To Read Online Free

Scan the QR code to download MoboReader app.

Back to Top

shares